Op en neer.

De afgelopen weken gingen goed. Ik ging elke dag de goeie kant op, de klachten werden steeds minder.

Sinds een dag of vijf heb ik helaas weer wat hoofdpijn. Eerst alleen maar ’s avonds, als de koek overduidelijk op was, nu ook weer overdag.

Zelf wijt ik het aan een paar ongelofelijke ruk-nachten van maar een paar uur slaap. Want een impact heeft dat op je -eh- álles!

Oh. Moet ik ook nog vertellen. Echt heel bijzonder vind ik zulke dingen. In 2003 begon ik in de gezondheidszorg. Ik heb in de afgelopen veertien jaar echt dui-zen-den specialistenbrieven gelezen en ingevoerd in dossiers. Nog nooit had ik gehoord noch gelezen over het “spontane liquor hypotensie syndroom“. Dat wat ik heb. Zit ik maandag, op mijn eerste therapeutische werkdag, de post te verwerken en wat leest mijn oog? Jawel! Een patiënt van ons die het heeft. Al een jaar. En invaliderend. Ze kan niks meer. Alleen maar liggen. Bloodpatches geven tijdelijk verlichting.

Normaal gesproken scan ik die brieven uit het ziekenhuis. Race ik diagonaal door de tekst heen, pik de diagnose en het behandelplan eruit, koppel het bericht aan de juiste patiënt en vul een korte samenvatting in als onderwerp van de brief.

Maar deze brief heb ik van voor naar achter grondig doorgelezen.

Goddank is hij niet op mij van toepassing want deze mevrouw heeft Ehlers Danlos. Een ziekte die ik 100% zeker niet heb, daarvoor hoeven geen tests te worden gedaan. Mijn eigen neuroloog opperde het ook al maar aangezien één van de kenmerken hypermobiliteit is… Haha! Ik ben het tegenovergestelde, leek al 80 toen ik 20 was. Ik zei ook al meteen tegen de arts aan mijn bed “die kunt u van uw lijstje strepen!”

Ik ga er vanuit dat het bij een eenmalige aanbieding blijft. Gewoon pech hebben. Invaliderend. Mán, ik werd kotsmisselijk bij het idee alleen al.

Het enige écht irritante dat ik nu nog heb, wat van mij echt weg mag, is tinnitus. Aan de rechter kant heb ik een piepje. De hele dag door. En voor iemand als ik, met geluidsallergie, is dat best wel vervelend. Understatement.

Gisteren had ik een slechte dag. Gewoon mijn eigen schuld. Ik heb gesport en heb ik naast de krachtoefeningen ook een stukje cardio gedaan. Echt minimaal hoor, op zijn oma’s. Drie keer twee minuten op de fiets en crosstrainer.

Daarnaast hebben Vlam en ik een nieuwe website in elkaar geflanst. Ik merk dat dat me ook veel inspanning kost nog. Denkwerk. Waar ik normaal gesproken over het toetsenbord vloog, lijk ik nu wel een beginner. Ik ben nog net geen “zoekende adelaar”. Zo iemand die met zijn wijsvinger boven het toetsenbord cirkelt op zoek naar de ‘w’. Multi tasken is ook nog een ding. Vlam moest item voor item aan me vragen. Niet terwijl ik aan het typen was vragen over de link naar Instagram. Lukt niet. Kortsluiting.

Mááár: het resultaat mag er zijn. Al zeggen we dat zelf.

Kijkt u maar hier.

En u zou ons een enorm plezier doen als u ons hier en/of hier ook zou willen volgen.

Onze hartelijke dank 🙂

 

Je beter voordoen dan je je voelt.

Hier hadden we laatst een gesprek over je beter voordoen dan je je voelt.

Onze buurman ligt in het ziekenhuis. Het plan was maandag erin, woensdag eruit. Er kwamen complicaties en hij moest helaas blijven.

Tegelijkertijd waaide het dak van het huis van zijn vriend eraf. Dat huis staat in Polen dus daar rijd je niet even één, twee, drie naar toe.

De zieke buurman zei tegen zijn vriend dat hij maar moest gaan. ‘Ik ben in goede handen, je kunt hier toch niets doen, ga maar!’

En weg was ie.

Zelf had ik precies zo gereageerd.

Maar zoals zo vaak zit er tussen voelen en uiten een gapend gat.

Uiteraard had buurman de P erin en maakte het hem verdrietig. Wie wil nou niet zijn allerliefste om zich heen hebben als je iets mankeert? Dan wil je toch kunnen snotteren in iemands nek? Dat iemand lekker tegen je aan komt liggen? Of dat je even af kunt reageren?

Ik had dat ook.

Daar hadden we het van de week over, in de auto, nadat we buurman een bezoekje in het ziekenhuis hadden gebracht.

Vlam is anderhalve week nadat ik uit het ziekenhuis kwam een dag (plus nachtje) gaan golfen in de Ardennen. Dat uitje stond al maanden gepland. Hij heeft het ingekort, is een dag later weggegaan. Zaterdagochtend vroeg weg, zondagmiddag weer terug. Hij heeft me wel dertig keer gevraagd of het echt oké was?

Ik heb dertig keer ‘ja’ gezegd. Want tuurlijk gun je je man zo’n uitje. Zeker op dat moment, hij liep óver om de zorgen om mij en zijn zaak.

Wat had u gedaan? Eerlijk?

Ik heb gezegd dat ik me prima redde, dat Jill bij me was, dat ik hij best even weg kon. ‘Ga lekker schat. Geniet! Niks aan de hand hier’.

Met tranen in mijn ogen toen hij wegreed.

Toen ik dat Vlam, van de week pas, vertelde, was hij een beetje boos. Gepikeerd ook. Hij vond het onaardig van me om dat achteraf te zeggen. Want dan was hij bij me gebleven. Ik was belangrijker dan een weekend golfen. Dat wist ik toch? En hij vroeg zich al hoe vaak ik oneerlijk was tegen hem?

Ik ben nooit oneerlijk tegen hem. Maar op dat gebied? Vaak.

Wat heeft het voor zin om alle pijntjes en ongemakken te melden? Daar wordt iemand toch helemaal flauw van? Op elke vraag een negatief antwoord? En waarom zou je in vredesnaam de ander zorgen moeten laten maken? ‘Ik meld me wel als ik terminaal ben’, zeg ik wel eens cynisch.

Dus ja. Zelfs naar mijn eigen man houd ik de schone schijn wel eens op.

Vlam vond het raar.

Ik niet.

Want ben ik daar echt uniek in?

Ik kan het me niet voorstellen…

Ik gedraag me voorbeeldig hoor.

Ik heb de eerste week erop zitten.

Het is prima gegaan.

Ik heb me keurig netjes gedragen.

Ik heb vier keer vier uur volgehouden en heb me als een heuse diva laten brengen en ophalen. Vanmiddag heeft Laura me zelfs thuisgebracht. Vlam had een afspraak en redde het niet en ik móést per se van hem een lift regelen ‘want we hadden duidelijk afgesproken dat jij alleen zou werken en niet zou gaan werken plús fietsen’. Aldus mijn soms zeer strenge man. En volgzaam als ik ben…

Ik heb niet meegeholpen met de griepprikken en alleen daarom al zou een mens lekkend hersenvocht willen. Wat vond ik het niet erg om dat hele circus dit jaar te mogen overslaan. Ik heb er geen hekel aan, maar het is veel werk en de hele periode is erg chaotisch. Niet in het minst omdat mijn werkgever als een kip zonder kop rond rent en elk jaar weer bloednerveus is of het allemaal wel goed gaat en of het hem lukt om al zijn vaccins te slijten. (Wat elk jaar weer geen probleem is).

Ik zat aan mijn bureautje en ruimde gestaag puin.

Ik trok me niks aan van zijn gezever. Want uiteraard had hij het extreem zwaar gehad de afgelopen weken.

Op negatieve shit heb ik niet gereageerd. Of hoogstens met “vervelend voor je joh”, of “ga het gesprek met diegene eens aan in plaats van het tegen mij te vertellen”. Als water over een eend gleed het van me af.

Ik heb me de afgelopen weken ziek thuis met vlagen erg druk gemaakt om mijn collega Laura die -dacht ik- tig overuren heeft gemaakt. Blijkt dat ze welgeteld één extra middag gewerkt heeft. Twee uurtjes. Ik zeg niet dat ze niet een tandje harder heeft moeten werken, maar toch. Het had leuk geweest als ik “gewoon” had kunnen beginnen. Aan een leeg bureau.

Zelfs pakketten die de afgelopen weken binnengekomen zijn, hebben ze niet geopend.

Instrumenten die gesteriliseerd waren (dat laten wij extern doen) hadden ze niet even terug op hun plek gelegd.

Alles was zó, -hoppatee-, op mijn behandelbank gepleurd.

Ik heb de afgelopen dagen niet gereageerd op opmerkingen van mijn werkgever die zei dat ik met gerust hart ook best nog wel in de herfstvakantie mocht komen werken. Zijn opmerking “kom je morgen ook nog een paar uur therapeutisch werken? (ik ben altijd vrij op vrijdagen) heb ik compleet genegeerd. In het kader van ‘hoor ik daar een lama schijten’.

Ik heb vakantie.

En die ga ik gebruiken om mijn ouwe-wijven conditie weer op peil te brengen. Ik ben voornemens om heel voorzichtig aan weer mijn oefeningen te gaan doen in de sportschool. De ene dag de krachttrainingen, de andere dag op de hometrainer standje bejaard en afsluiten met tien minuutjes op de loopband op een stevig wandeltempo.

Ik heb mijn sleutels van de praktijk net aan de haak in de gang gehangen en daar hangen ze prima wat mij betreft. Ik pak ze er maandag de 23e pas weer vanaf.

Toedeledokie met je “in de vakantie therapeutisch werken”.

Rare man.

Bizarre puinhoop.

Gisteren om half 12 kwam Vlam me ophalen om me naar mijn werk te brengen. Iets aan de vroege kant, maar ik wilde nog even gedag zeggen en mijn verhaal vertellen aan de fysio’s die bij ons in het gebouw ook een praktijk hebben en met wie ik na 12 jaar een hele fijne band heb.

Ik was nog niet terug uit het ziekenhuis en hun bloemen werden thuisbezorgd. Lief!

Één van de secretaresses heeft me de afgelopen weken zo vaak geappt, die wilde ik als eerste even spreken. En bedanken voor de ontzettend gewaardeerde aandacht.

Daarna zette ik me schrap.

Ik was bloednerveus joh. Mijn handen en stem trilden. Ik wilde aan de ene kant heel graag werken, maar aan de andere kant zijn er dingen gebeurd die me ernstig hebben teleurgesteld. (Ik noem een mail van mijn werkgever 36 uur na mijn bloodpatch of ik dat weekend wat klusjes voor hem wilde doen op de praktijk). Ik was bang voor de confrontatie. Of hij me wel serieus zou nemen. Of we wel in goeie harmonie afspraken zouden kunnen gaan maken over mijn terugkeer.

Peter omhelsde me twee keer en zei heel blij te zijn dat ik er weer was. Hij vroeg me hoe ik het wilde. Wat ik aankon. Hoe ik het zelf bedacht had. Hij drukte me meerdere malen op mijn hart dat ik degene was die aangaf wat ik kon en wilde. ‘Jij bepaalt Klief. Je hebt gezegd dat je tot 4 uur wilde proberen, maar is de koek om 2 uur op, óók goed. Dan ga je lekker naar huis. De neuroloog heeft me nog gebeld en hij had nog nooit zoiets gezien; je vliezen waren helemaal aan elkaar gekleefd!’ (Ik denk dat hij tóén pas inzag dat het serieus was…)

Laura was enkele dagen daarvoor bij mij thuis geweest dus ik was wat haar betreft op de hoogte. Ik kreeg een knuffel. ‘Fijn dat je er weer bent collegaat, ik heb je gemist’.

De praktijk was een chaos.

Overal lagen ongeopende enveloppen.

Mijn behandelbank stond vol met dozen, met mappen en paperassen.

Mijn bureau was een Mount Everest van papier.

Mijn mailbox stroomde over.

De elektronische specialistenbrieven van 4 weken zaten nog onverwerkt in de postbus.

De bloeddrukmeter was kapot.

Het binnenwerk van de fax ook. (Een nieuwe rol erin sláán werkt niet. Gaat iets er niet op een rustige manier in, dan doe je iets niet goed. Ik kan het blijven uitleggen).

Diverse aanvraagformulieren waren op.

Er lagen nog drie urinepotjes.

Epi en Lepsie hebben echt totale paniek ervaren geloof ik. Ze hebben niets anders gedaan dan hun eigen taken en meer ook niet.

Ik ben gisteren dan ook zomaar ergens begonnen. Ik heb diverse bedrijven gebeld om de aanvraagformulieren weer aan te vullen. Ik bestelde een nieuw onderdeel voor de fax. Op de website van het ziekenhuis regelde ik urinepotjes en swabs. Ik deed de vuile was in een vuilniszak. Depte de koffievlekken van het dressoir. Verschoonde de vuilniszakken. Gooide kilo’s aan papier weg.

En toen was het drie uur later en bonkte mijn hoofd. Mijn vliezen pulseerden en mijn nek en rug deden zeer. Kláár!

En nu ben ik weer fris en fruitig en klaar voor de strijd. Vlam haalt me straks weer op voor de tweede ronde.