Ik ben even met zomerreces.

Ik ben er even niet.

Wegens zomerreces.

Ik schat een weekje of zes afwezig te zijn.

Niet gaan huilen hoor. Voor u het weet zit ik weer op mijn nest. (En is uw vakantie ook weer voorbij ;))

Oh, en in de tussentijd zal ik hier waarschijnlijk wel zo nu en dan nog te vinden zijn. Met vakantiekiekjes en allerhande flauwekul. Dingen waarvoor ik geen laptop nodig heb. Want die hang ik namelijk echt even tijdelijk aan de wilgen.

Goeie zomer allemaal!

xx Klief.

Bron: Pixabay.com

Wie van de drie?

Gezien bij die lieve gans.

Ik vond ‘m leuk. En in de aanloop naar de komkommertijd, ook in mijn hoofd trouwens, vond ik het wel leuk om hem in te vullen. Deze wie van de drie.

Komt ie:

A.

1. Ik heb ooit eens op een festival opgetreden.
2. Ik ben ooit eens in aanraking geweest met de politie.
3. Ik ben ooit ergens voor genomineerd geweest.

Fesival? Brrr. Ik ben zelfs nog nooit naar een festival geweest. Ik haat mensenmassa’s.

Helaas. Veroordeeld voor opzetheling dankzij mijn lieftallige frauderende ex. Inmiddels is het verjaard. Helaas alleen nog niet in mijn hoofd. Ik vind het aardig gênant.

Ja, regelmatig. Diverse awards via dit blog. Maar die tellen niet mee vind ik. Ik ga alleen voor het echte werk; voor de Nobelprijs voor de vrede.

B.

1. Ik ben ooit eens in elkaar geslagen.
2. Ik heb wel eens een cursus gevolgd.
3. Ik heb wel eens een boete gehad.

Ja, wederom dankzij diezelfde ex. Hij stompte me tegen mijn rechter oog waardoor mijn wenkbrauw openbarstte als een rijpe tomaat. En toen ik op de grond lag, heeft hij op me in staan schoppen. De held. Kortom: ik noem dat wel in elkaar geslagen ja. Niet een simpel tikje. Ik lag aardig in de kreukels. Alhoewel de geestelijke schade vele malen groter was. En veel langer duurde.

*Proest* Wel ééns? Ik zit zeer regelmatig weer in de schoolbanken. Tot mijn grote ergernis. Ik vind iets nieuws leren tof, maar het gros van mijn nascholingen zet ik weg onder de noemer “Groundhog Day”.

Één keer, wegens zwartrijden. Toen ik zeventien was.

C.

1. Ik ben wel eens achttien keer achter elkaar in een achtbaan geweest.
2. Ik heb hoogtevrees.
3. Ik durf niet in achtbanen

Neen, neen en neen. Ik houd enorm van achtbanen, maar achttien keer? Ik zou wel willen hoor, maar met die bizarre wachttijden in de Efteling, zou ik daar een midweek voor moeten uittrekken. Dat past nooit in één dag.

D.

1. Ik houd van Nederlandstalige muziek.
2. Ik ben naar drie concerten geweest.
3. Ik ben een grote fan van het Songfestival.

Jazeker! Van Dik Hout, De Dijk, Doe Maar, BLØF, Racoon. Love them!

Ik denk dat ik die drie concerten wel red. Prince, Prince en Prince welteverstaan. In het krijt was dat nog. Toen ik nog over hekken sprong en hoera-borsten had. Tegenwoordig mijd ik plekken waar meer dan twintig mensen zijn als de pest. Concerten kijk ik louter en alleen nog op de televisie. Oh, en ik ben een jaar of tien geleden nog naar The Simple Minds geweest bedenk ik me net, al typende. Was geen succes. Jim Kerr was niet zo woest aantrekkelijk meer als in mijn jeugd. Hij barstte bijna uit zijn spijkerjasje en zijn zangkunsten waren niet zoals ik ze in mijn gedachten had. Wéér een illusie armer.

Songfestival? *braak*

E.

1. Ik lust geen koffie en thee.
2. Ik drink iedere ochtend thee.
3. Ik drink iedere dag koffie.

Nee, deels en ja. Thee alleen nog in het weekend. Doordeweeks neem ik tegenwoordig kefir. Koffie drink ik elke morgen. Twee kleine kopjes. Loeisterk. Niet een heel spannende vraag hè, deze laatste? ;)

Who’s next?

Zó niet grappig.

Gisteren, toen Jill uit haar werk kwam, vroeg ze ons of wij het ook tegen caissières zeggen als ons gevraagd wordt of we de bon willen hebben: ‘nee hoor, ik kan ‘m toch niet inleveren bij de belastingdienst…’

Jills broek zakt zo nu en dan af van dat soort “humor”.

Ik snap haar vol-le-dig.

Ik heb een collega die, nog steeds, al sinds de jaren ’80, als je een goed antwoord geeft, zegt, ‘gefeliciteerd, je gaat door voor de magnetron!’.

Dat is zó niet grappig.

En zó vreselijk achterhaald.

Mijn werkgever heeft wel eens aan een volle tafel met artsen gezegd ‘ik ga even mijn prostaat uitlaten’. Er daalde een oorverdovende stilte neer. Terecht. Zelf was ik het liefst ter plekke opgelost.

Ook erg is: ik ga even kijken of ik nog een jongetje ben. Hoe vaak ik die al niet gehoord heb?

Idem dito als ik vroeger in de horeca fooi kreeg. ‘Voor de kinderwagen’. Kots.

Of als ik vroeg of iemand een glas bij zijn bier wilde. ‘Nee hoor, ik ben met de fles grootgebracht’.

Toen ik in een redelijk chique restaurant werkte was er eens in de zoveel tijd een ontzettende grapjas die wanneer ik de bestelling op kwam nemen een Big Mac bestelde. En dan moet je nog verplicht (glim)lachen ook. Ik had het liefst dan een mep met de menukaart gegeven. Maar dat mag niet van de politie.

Ook heel fout is als je aan iemand vraagt hoe het gaat en dat je dan als antwoord krijgt ‘met slechte mensen gaat het altijd goed’. Houd daarmee op. Geef gewoon antwoord.

Wat te denken van ‘kun je rekenen? Reken er maar niet op’.

Of ‘weet u hoe laat het is’ en dat je dan alleen een ‘ja’ krijgt als antwoord.

‘Wat ik wil drinken? Ehm. Mag ik iets fris?’ ‘Ja hoor, ik zet even het raam open’, is ook zo’n enige.

Vorige week stond ik bij Appie een behoorlijke zak met batterijen in een veel te klein gaatje in het inleverapparaat te proppen. Een man die aan kwam lopen, bemoeide zich ermee. ‘Scheur gewoon die zak af en laat het erin glijden joh’ zei hij. Ik vertelde hem dat ik dan waarschijnlijk op mijn knieën kon om alles op te rapen. ‘Nou daar zou ik geen problemen mee hebben hoor’ was zijn antwoord. Met nog net niet zo’n vieze vette knipoog. Ik had honderd antwoorden kunnen geven, variërend van ‘dat is denk ik lang geleden hè dat iemand voor jou op zijn knieën ging’ tot ‘viespeuk’ maar het enige dat ik zei was ‘haha’. Hij droop af.

Vlam zat mijn en Jills voorbeelden aan te horen en zei toen dat wanneer iemand zeiknat van de regen binnenkomt, hij standaard vraagt ‘ben je met de cabrio?’

Jill en ik zaten hem met open mond aan te kijken.

En het állerergste was nog, dat hij er zelf enorm om moest lachen. Mijn man. De liefde van mijn leven…

Ik kan er met mijn pet niet bij.

Zoals bekend ben ik nogal anti-roken.

Ik zie wat het doet met mensen. Elke dag weer heb ik rochelende, in hun eigen slijm snorkelende mensen tegenover me. Een beetje COPD-er kan het beamen: benauwd zijn is echt vreselijk. Ik heb één keer bronchitis gehad in mijn leven en vond het al beangstigend. Het niet goed door kunnen ademen. En dan stelde het bij mij op de schaal van benauwd zijn helemaal niets voor. En ging het ook weer over. Goddank.

Je zult het maar altijd hebben. Vraag maar aan mijn vriend lieve Evert hoe het is. Die kan niet eens meer van zijn stoel naar het aanrecht (vijf meter) zonder naar adem te moeten happen. Hij moet echt minutenlang puffen om bij te komen van zo weinig inspanning.

Een blogger die ik ooit volgde en inmiddels overleden is aan COPD, verwoordde het “mooi”. Het voelt alsof ik de hele dag iemand heb die op mijn borstkas zit. En ondertussen moet ik ook nog ademen door een rietje.

Dat is toch pure horror?

Dat wil je toch niet?

Vlam heeft twee keer bij mij op de praktijk geblazen en zit tegen de grens van COPD aan. Hij blies met zijn -toen- vierenveertig voor iemand van negenenzestig. Wij wonen drie hoog. Komt hij boven, we hebben het over vijf trappen, dan is hij buiten adem.

Zes jaar geleden is hij “gestopt”.

Maar ik weet dat hij regelmatig nog een sigaretje opsteekt. Ik vraag er nooit naar maar ik ben gekke Gerritje niet.

Hij doet het nooit waar ik bij ben, want ik heb hem heel duidelijk gemaakt dat ik het niet alleen supersmerig vind ruiken, maar dat het me ook tegelijkertijd boos en verdrietig maakt. Hij. Met zijn slechte longen.

Gisteravond is hij met twee vrienden de stad in gegaan. Ze hadden een zomer-biertocht.

Jill en ik zijn samen naar de bios geweest en hebben daarna een hapje gegeten in de stad. Op de terugweg naar huis, sloten we heel even bij de mannen aan. Deden één drankje en zijn weer naar huis gegaan. Vlam en zijn vriend hebben niet gerookt waar ik bij was.

Maar ik hoorde vanmorgen aan zijn gerochel na het poetsen en zijn gekuch tijdens het ontbijt dat hij het pvd weer gedaan had. En behoorlijk ook.

‘Heb je veel gerookt darling?’ vroeg ik hem fijntjes.

‘Gaat…’ was zijn antwoord. En hij kletste er professioneel om heen.

Later op de morgen vroeg hij aan me of het wel goed met me ging. Ik was afstandelijk.

‘Nee’ zei ik. ‘Ik ben boos op je. Ik vind je een eikel. Ik hóór je longen zuigen. Ik hoor het slijm. Je bent alleen maar aan het kuchen. Wanneer ga je nou eens snappen dat je lichaam dit niet wil? Dat dit niet goed voor je is? Wanneer gaat die knop nou eindelijk eens om?’

Hij stond erbij en hij keek ernaar.

Ik vind verslaving een onbegrijpelijk iets. Ik snap het niet en ik wíl het ook niet snappen…

Jawel, het is weer zover.

Over enkele weken is het zomervakantie voor ons en zoals elk jaar is mijn werkgever zwaar aan het stranden in het zicht van de haven en is hij werkelijk niet te genieten.

Nou is het de laatste weken ook extreem druk. We namen waar voor twee andere praktijken en dat is naast ons gewone werk, niet te doen. De spreekuren zitten bomvol en -wat we normaal doen- een paar plekjes vrij houden voor spoedzaken, lukt nu dus niet. Dus áls je iets tussendoor krijgt, kun je geen kant meer op.

Onze eigen patiënten zijn keurig opgevoed. Die weten dat wij not amused zijn als ze over de spoedlijn gaan bellen omdat ze hun medicatie zijn vergeten te bestellen. Onze eigen patiënten halen het niet in hun hoofd om om half vier nog “even” langs te willen komen omdat ze eigenlijk al vanaf ’s morgens vroeg een blaasontsteking hebben. Die komen gewoon in de ochtend. Die van andere praktijken niet. Die kennen onze regels en voorkeuren niet. En ze proberen ons uit.

Peter is aan het einde van zijn Latijn en reageert het zoals gewoonlijk af op ons.

Vooral Laura moet het ontgelden. Die is een stuk minder mondig dan ik en dus een gemakkelijk doelwit. Bij mij denkt Peter wel drie keer na voor hij slakken op zout gaat leggen.

Vanmorgen was hij één en ander zó zat, dat hij even vergat dat hij niet met mij moet fucken.

Ik vroeg hem of hij de schone was mee wilde nemen. Onze handdoeken waren op. Volgens zijn vrouw stond er al een week naast de voordeur een tas met schone spullen. Hij liep er steeds gewoon langs.

En ja hoor. Daar kwam ie: de sneer.

‘Mijn vorige assistente nam de was altijd mee naar huis. Jullie zorgen voor extra belasting, nu moeten wij het doen’.

Ik ontplofte intern. Deze lulkoek heb ik namelijk al een aantal keer gehoord in de afgelopen twaalf jaar.

‘Ga je nou weer lopen zeiken over de was? Dat is jullie pakkie an. Ik weiger die was te doen. Het is jouw praktijk. Niet de mijne’.

Peter keek me link aan en liep weg.

Wóést was ik. Ik heb de afgelopen weken aardig lopen incasseren en dit was de druppel. We hebben ons werkelijk de schompes gewerkt en dan ga je moedwillig de sfeer lopen verzieken? Ik weet inmiddels hoe het gaat. Dat worden héle lange weken tot aan de vakantie. Weken van tandvlees lopen. En daar had ik geen zin in.

Ik mailde Peter en vroeg hem waar ik die sneer aan verdiend had? En ik vroeg hem of die assistente die de was altijd deed dezelfde was als die dame die zich te pas en te onpas ziek meldde wegens hoofdpijn? Of we het hadden over de assistente die op de praktijk haar nagels lakte en haar hond meenam? Of het die vrouw was die toen ik op de praktijk kwam een inbouwkast vol met dossiers en niet in het systeem gebrachte specialistenbrieven bleek te hebben gehamsterd? Waar ik járen mee bezig geweest ben om op te verwerken?

Ik klikte op enter en ging visites doen.

Ik verwachtte ruzie toen ik weer terug kwam op het nest. Ik was er klaar voor en sleep mijn messen al.

Peter was echter poeslief. Króóp bijna. Wenste me een goed weekend en maakte grapjes.

Ik geloof dat de boodschap aangekomen is.