Het eeuwige schuldgevoel.

Vandaag was ik bij mijn arboarts. Ik schrijf wel ‘mijn’ maar het is een nieuwe. In november was ik er voor het eerst en dit was mijn tweede bezoekje. Dokter nummer één is in de tussentijd exclusief voor de gemeente Rotterdam gaan werken en ik werd dus doorgeschoven naar een andere arts.

Balen.

Ik was eerlijk gezegd een beetje nerveuzig.

Want zou ik wel weer zo’n aardige empathische man treffen?

Gelukkig wel!

Nummer twee was ook weer erg begripvol en schatte me meteen op waarde in. Alsof hij zowaar mensenkennis had… 😉

Halverwege opperde hij een coach schuine streep psycholoog. Om het gapende gat tussen mijn ratio en emotie te leren overbruggen. Ik zeg wel de juiste dingen, ik wéét het wel. Maar ik pas het alleen zo belabberd toe. Ik moet leren om gaan met het feit dat ik soms dingen gewoonweg niet kan. En dat dat dan dus niet zwak is. Ik moet leren me me er gewoon bij neer te leggen. Ik moet me moet focussen op genezing. En misschien zou ik zelfs dat enorme schuldgevoel naast me neer kunnen gaan leggen?

“Jouw werkgever is een ondernemer en bij ondernemen horen risico’s. Mensen kunnen uitvallen. Dat is zijn probleem. Niet het jouwe. Jouw gezondheid en beter worden zijn de enige dingen waar jij je op moet focussen”.

Ik antwoordde dat ik het echt wel wist. Mensen hebben verdorie zes tot acht weken nodig om te herstellen van een gebroken been en ik  wil veertien weken na de bloodpatch dat mijn hersenvliezen gewoon weer de oude zijn. Tuurlijk is dat onrealistisch. En toch verwacht ik het. Ben ik soms teleurgesteld in mijn lichaam. En ben ik bang dat mensen denken dat ik een aansteller ben.

“Precies. Daarom dus. Wat denk je Klivia; zou een coach wat voor je zijn?”

Ik antwoordde dat mijn man er in ieder geval heel blij mee zou zijn en we moesten allebei keihard lachen.

“Mooi. Ik laat je oproepen” zei hij.

Oh. En bleek dat hij in zijn carrière twee mensen ontmoet had die hetzelfde hadden als ik, een spontaan lek van de duraalzak. Ik vroeg hem of hij me kon vertellen hoe lang zij onderweg waren geweest.

“De ene vrij kort en de andere heel lang” zei hij nogal van de diplomatieke en uiterst mysterieus.

Toen we het gesprek afrondden, meldde hij dat hij me over zes weken weer wil spreken. Ik vroeg hem of we de afspraak alsjeblieft in de middag konden plannen en niet in de morgen. “Want dan kan ik gewoon nog even de ochtend werken, snapt u?”.

“Jazeker. Ik snap je” zei hij met opgetrokken wenkbrauwen.

En toen moesten we allebei weer lachen.

Ik denk niet dat ik er met twee gesprekjes ben. Die coach gaat het nog zwaar krijgen met me…

Bron: Pixabay (2146157)

Met je spierspanningshoofdpijn.

Afgelopen vrijdag ben ik bij de neuroloog geweest en die had me eigenlijk niets te melden. Maar dat had ik ook niet verwacht. Ik had eigenlijk -achteraf gezien- wat assertiever moeten zijn en het initiatief moeten nemen. Door voor te stellen eerst de MRI in te gaan en dan terug te komen.

Want nu zat ik echt er voor Jan met de korte achternaam. Hoop geld, zonde van de tijd.

“Tsja, dus je hebt nog klachten? Wat vervelend. Duurt lang hè? Hmmm, ik weet eigenlijk ook niet zo goed wat ik er mee aan moet. Laten we dan maar een controle MRI inplannen en dan zie ik je daarna terug voor de uitslag”.

“Oh, en zou het geen spierspanningshoofdpijn kunnen zijn omdat je zegt dat het een andere pijn is dan toen je werd opgenomen?”

En in plaats van dat ik zei wat ik dacht, was ik hartstikke flabbergasted.

Eigenlijk had ik wíllen zeggen: ja eikel. En dan heb ik zeker ook spierspanningstinnitus? En spierspanningselectriciteitinmijnschedel? En spierspanningsvergeetachtigheid en spierspanningsemotionaliteit?

Ik voelde me echt totaal niet serieus genomen.

Achteraf gezien snap ik heus wel dat hij -op zijn Rotterdams gezegd- zijn bek maar een zet gaf en meer hardop dacht dan echt harde uitspraken deed. Want hij weet het ook niet. Hij zit ook maar een beetje te gissen. Hij suggereerde niet dat ik me aanstel. Hij gaat niet voor niets me weer zo’n kostbaar onderzoek laten ondergaan.

In ieder geval: vrijdag aanstaande opnieuw de tunnel in en de derde week van februari weer terug. Van dat laatste baalde ik enorm. Pas over zes (!) weken heeft hij weer tijd. En dan heb ik dus nog een spoedplek gekregen ook. Bizar hoe druk ze het daar hebben.

Ik heb ook leuke dingen te melden hoor. Echt. Het is niet alleen maar kommer en kwel. De afgelopen week heb ik de boel weer opgeschroefd naar drie uur per dag en dat ging prima. Donderdagmiddag (dan begint mijn weekend altijd) was de koek wel op en had ik hoofdpijn en was het orkest in mijn schedel weer een fijne symfonie aan het afspelen.

Máár: ik ben de werkdagen prima doorgekomen, heb geen dutjes achteraf gedaan en ik heb de hele week geen tramadol gebruikt.

En er is meer: ik ben grotendeels zelf op de fiets gegaan. Ik wil de aankomende tijd toch wel weer erg graag mijn zelfstandigheid terug hebben. Vlam is een enorme lieverd en niets is hem te veel. Maar gebracht en gehaald worden is mij echt wél te veel. Zeker het ophalen. Ik voel me een klein kind. Het geeft me een ‘busje komt zo’ gevoel. Ik voel me gecontroleerd. En bezwaard. Want als ik even nog tien minuutjes door wil gaan, zit er toch iemand op je te wachten. Niks voor mij joh.

En daarbij: ik ben verdorie in de afgelopen maanden vijf kilo (!) aangekomen! VIJF!

En als ik naar boven ren, naar ons huis, kom ik hijgend als een postpaard boven.

Oma moet echt weer wat meer gaan bewegen…

Wij hebben genoeg aan drie blaadjes…

Het haas.

Er is de afgelopen dagen een aardig gat geslagen in de voorraden ibuprofen en xylometazoline neusspray. En ik heb er eigenhandig (of neuzig in dit geval) pákken Kleenex voor de gevoelige neus doorheen gejast. Overigens had ik net gewoon goedkope keukenrol kunnen gebruiken, want de vellen hangen nu net zo goed aan mijn neus.

Het was lang geleden dat ik het zo te pakken had zeg. Poeh. Vorige winter ben ik sowieso helemaal snotloos doorgekomen.

Maar nu was ik het haas. Jill bracht een heel fijn virus mee ons huis in en heeft zowel vriendlief (tonghockey is ook uitermate onhygiënisch natuurlijk) als ondergetekende besmet.

Oudejaarsdag begon het al: een zere keel.

Nou dan weet je het wel.

In de loop van de week werd het erger.

Ik had het ganse pakket deze keer. Niesen en hoesten tot ik spierpijn in de regio van mijn middenrif had, een keel die voelde alsof ik scheermesjes had ingeslikt (dat je dan je spuug opspaart om maar zo min mogelijk te hoeven slikken) waterige ogen, een rooie gok, een stem als een travestiet en zo’n hoofd dat wanneer je bukt, nóg zeerder doet.

Verkouden zijn is zo ongeveer het oncharmanste dat je kunt zijn. Mensen die neuzen ophalen, die snorkelen in hun eigen snot, die je hoort ademen, van dat gierende slijm in de luchtwegen… vreselijk. Ik was gewoon viezig van mezelf.

Ik heb een dag of twee grotendeels op bed doorgebracht.

Ik had tussen het snuiten door behoorlijk zelfmedelijden ook. Niet alleen had ik nu hoofdpijn van de immer protesterende vliezen, ook mijn holtes deden gezellig mee. Best veel, zo alles in één schedel. Maar dat vond ik nog niet het ergste; deze afgelopen week had een week moeten zijn van bijkomen. Ik had gehoopt dat een week me superrustig houden had geleid tot een enorme boost in mijn hersenpan.

Niets van dat alles dus. Ik heb niet het idee dat ik uitgerust ben van mijn vakantie. Ik heb nergens even echt kunnen ontspannen of genieten namelijk. Behoorlijk teleurstellend vond ik dat. Mijn lijf en ik zijn geen vrienden de laatste tijd.

Máár: vandaag voel ik me eindelijk wat beter. Ik hoef niet meer de hele dag met een zakdoek in beide neusgaten rond te lopen, ik ben pijnstillerloos en ik kan weer redelijk normaal slikken en als ik hoest heb ik niet meer het gevoel dat mijn kop explodeert. Jippie.

En dus ga ik me zo dadelijk goed inpakken en lekker even naar buiten. Rondje tuincentrum doen, bolletjes kopen en een énorme latte macchiato bestellen (die ik overigens nog niet kan proeven, beetje jammer). Even genieten van die halve dag vakantie die me nog rest.

Ik las in de krant dat half Nederland geveld is. Dat we met meer zijn. Mocht u het ook zo heerlijk te pakken hebben: van harte beterschap!

Social media en ik.

Ik heb er een haat-liefde verhouding mee.

Aan de ene kant vind ik het hartstikke leuk om op een makkelijke manier in contact te blijven met mensen. Of zelfs komen. Een mooi voorbeeld is dat ik jaren geleden mijn oude paardrijjuf annex oppas tegenkwam op Facebook. In mijn verbeelding was ze altijd een onbereikbaar iemand. Mooi en slim en vooral stukken ouder dan ik. Bleken we gewoon maar een paar jaar te schelen! We hebben elkaar een keer live ontmoet en voor aankomend jaar staat een nieuwe date gepland. En we spelen elke dag Wordfeud en kletsen regelmatig wat via dat kanaal.

Toen ik in het ziekenhuis lag was Facebook ook een heel handig medium om iedereen een beetje op de hoogte te houden van mijn reilen en zeilen. Ik had geen puf om iedereen apart via WhatsApp te berichten.

Mijn facebookpagina van Kliefje is ook top. Werkt goed, dat doorposten.

Maar er zijn ook veel ergernissen. Het slurpt tijd. Ongemerkt. Ik zie veel dat mij geen bal interesseert. Al die voorgestelde pagina’s van Facebook? AARRGGH! Ik ben niet verstandelijk beperkt en kan heus zelf wel zaken opzoeken hoor meneer Zuckerberg. Idem dito wat de tips betreft. “Er is regen voorspeld in de Randstad vandaag. Pas je niet op dat je nat regent?”

Ik krijg amper meer te zien wat mensen echt zelf posten, door een onbegrijpbaar algoritme op FB zie ik eigenlijk alleen maar wat mijn vrienden elders hebben geliked of becommentarieerd. Sorry hoor darlings, ik vind jullie stuk voor stuk hartstikke lief, maar het kan mij geen moer schelen dat jullie dat hele schattige hondje van een bekende BN-er leuk gevonden hebben. Of dat je de buurvrouw hebt getagd in een bericht over eenhoornsloffen. Maar als iemand zelf een leuke foto heeft gepost, dan zie ik die soms pas dagen later voorbij komen. Schiet mij maar lek.

Wat ik wél zie, zijn gedeelde posten over een vermiste kat in Goidschalksoord en dat iemand zijn armband heeft verloren in Vlagtwedde. En of ik dat ook even wil delen? Eh? Nee.

Ook zo bijzonder: dat je wanneer een vriend jarig is, je álle felicitaties te zien krijgt die alle andere vrienden van jouw vriend ook gepost hebben. Ik gun iedereen natuurlijk zijn of haar momentje. Maar ik hoef echt niet op de hoogte gehouden te worden van elke digitale felicitatie. In het echt laat je ook niet iedereen je verjaardagskaarten zien toch?

Facebook is ook langzaam maar zeker aan het veranderen in één groot reclameblok. Aan alle kanten word je overspoeld met paginatips en links naar externe websites. Ik klik me soms dagen suf. Ga weg; ik wil dat vage Chinese bedrijf dat de allerleukste Kersttruien verkoopt niet meer voorbij zien komen. Klopt, ik wil niets meer zien over gel die mijn tanden nóg witter maakt. Ik heb het opgegeven, ben moegestreden. Het is water naar de zee dragen…

En áls ik dan eens een filmpje kijk (ik vind Simon’s Cat bijvoorbeeld erg leuk), wil ik niet halverwege onderbroken worden door reclame. Flikker op.

En om alle bovenstaande redenen heb ik besloten -op proef om te kijken of me dat beter bevalt- uit te wijken naar Instagram.

En ik heb mijn profiel opengegooid.

Dus als u het leuk vindt me daar ook te volgen? U bent van harte welkom.

Ze heeft verkering! Of zoiets.

Jill kwam uit het niets met ene Luc op de proppen. Ineens zat hij in verdacht veel van haar verhalen. Hij bleek een vriend van één van haar beste vrienden.

Vlam en ik zagen de romantische bui natuurlijk allang hangen.

En ja hoor: daar was ie eindelijk. Dé vraag c.q. aankondiging. ‘Is het oké als Luc en ik zaterdagavond nog even de stad in gaan om wat te drinken?’

‘Tuurlijk skatje!’

En vrij vlot daarop volgde een dubbeldate met nog twee andere vrienden.

Bij Jills thuiskomst vroeg Vlam steeds op zijn bekende ‘bescheiden’ en nogal plastische manier of er nou eindelijk al getonghockeyd was? Of er al aan huigtikkertje was gedaan? (En dan uitspreken op zijn Haags. Vréselijk tenenkrommend).

Maar ja: ik kan u heugelijk nieuws melden. Overigens met goedkeuring van La Bill zelf. Ik blog niets óver haar zónder haar akkoord.

Er is een relatie!

Verkering.

Ze daten.

Ze hebben met elkaar of weet ik veel hoe dat tegenwoordig heet. Ik heb het opgegeven, het bijblijven qua taal. Een jaar of wat geleden had je nog flow als je in de aftastende fase zit. Als ik dat woord nu gebruik,word ik met rollende ogen aangekeken of ik hartstikke debiel ben. Jill weet het volgens mij zelf ook niet. Op een gegeven moment schijnt Luc gevraagd te hebben wat ze nou zou zeggen als iemand haar zou vragen of ze een vriendje had en ze antwoordde dat bevestigend. En dat kon hij wel waarderen. Hoppa. Relatie bezegeld. Op Facebook heb ik overigens nog geen relatiestatus zien veranderen. Maar misschien is dat óók weer ‘not done’ anno 2018?

Ons kind en een relatie.

Leuk man. Ik vind het hartstikke tof voor haar.

En zo op de eerste twee korte ontmoetingen gebaseerd leek het een zachtaardig en beschaafd figuur. Heel anders dan de eerste halfbakken ster aan het firmament. Een nogal arrogant mannetje dat toen Jill beide voortanden eraf brak tijdens een valpartij met haar paard, ineens in geen velden of (digitale) wegen meer te bekennen was. Zelfs een oppeppend appje was al teveel gevraagd. De dagen daarvoor, toen hij had bedacht zijn tong even tussen die toen nog intacte tanden te kunnen steken, stond ze wel in het middelpunt van zijn belangstelling. Deze Luc is heel andere koek. Ik hoop dat de ‘verkering’ nog even blijft. Gezellig hoor, een schoonzoon.

Rees bij mij in de afgelopen week ook de vraag: wanneer gaat een relatie in eigenlijk?

Toen Vlam en ik elkaar ontmoetten was de eerste date gewoon iets met bier aan een bar. Was gezellig, bedankt, kusje op de wangen en klaar. Tijdens de tweede date zaten we ineens te tonghockeyen. Binnen no time zaten we elk weekend bij elkaar en een jaar later trok hij bij ons in. Er is mij nergens iets gevraagd bedenk ik mij ineens nu. Ook niet toen we trouwden.

Gemakshalve houden we de datum van onze eerste date maar aan als het begin van onze relatie.

Bron: Pixabay (762564)