Zó niet grappig.

Gisteren, toen Jill uit haar werk kwam, vroeg ze ons of wij het ook tegen caissières zeggen als ons gevraagd wordt of we de bon willen hebben: ‘nee hoor, ik kan ‘m toch niet inleveren bij de belastingdienst…’

Jills broek zakt zo nu en dan af van dat soort “humor”.

Ik snap haar vol-le-dig.

Ik heb een collega die, nog steeds, al sinds de jaren ’80, als je een goed antwoord geeft, zegt, ‘gefeliciteerd, je gaat door voor de magnetron!’.

Dat is zó niet grappig.

En zó vreselijk achterhaald.

Mijn werkgever heeft wel eens aan een volle tafel met artsen gezegd ‘ik ga even mijn prostaat uitlaten’. Er daalde een oorverdovende stilte neer. Terecht. Zelf was ik het liefst ter plekke opgelost.

Ook erg is: ik ga even kijken of ik nog een jongetje ben. Hoe vaak ik die al niet gehoord heb?

Idem dito als ik vroeger in de horeca fooi kreeg. ‘Voor de kinderwagen’. Kots.

Of als ik vroeg of iemand een glas bij zijn bier wilde. ‘Nee hoor, ik ben met de fles grootgebracht’.

Toen ik in een redelijk chique restaurant werkte was er eens in de zoveel tijd een ontzettende grapjas die wanneer ik de bestelling op kwam nemen een Big Mac bestelde. En dan moet je nog verplicht (glim)lachen ook. Ik had het liefst dan een mep met de menukaart gegeven. Maar dat mag niet van de politie.

Ook heel fout is als je aan iemand vraagt hoe het gaat en dat je dan als antwoord krijgt ‘met slechte mensen gaat het altijd goed’. Houd daarmee op. Geef gewoon antwoord.

Wat te denken van ‘kun je rekenen? Reken er maar niet op’.

Of ‘weet u hoe laat het is’ en dat je dan alleen een ‘ja’ krijgt als antwoord.

‘Wat ik wil drinken? Ehm. Mag ik iets fris?’ ‘Ja hoor, ik zet even het raam open’, is ook zo’n enige.

Vorige week stond ik bij Appie een behoorlijke zak met batterijen in een veel te klein gaatje in het inleverapparaat te proppen. Een man die aan kwam lopen, bemoeide zich ermee. ‘Scheur gewoon die zak af en laat het erin glijden joh’ zei hij. Ik vertelde hem dat ik dan waarschijnlijk op mijn knieën kon om alles op te rapen. ‘Nou daar zou ik geen problemen mee hebben hoor’ was zijn antwoord. Met nog net niet zo’n vieze vette knipoog. Ik had honderd antwoorden kunnen geven, variërend van ‘dat is denk ik lang geleden hè dat iemand voor jou op zijn knieën ging’ tot ‘viespeuk’ maar het enige dat ik zei was ‘haha’. Hij droop af.

Vlam zat mijn en Jills voorbeelden aan te horen en zei toen dat wanneer iemand zeiknat van de regen binnenkomt, hij standaard vraagt ‘ben je met de cabrio?’

Jill en ik zaten hem met open mond aan te kijken.

En het állerergste was nog, dat hij er zelf enorm om moest lachen. Mijn man. De liefde van mijn leven…

Ik kan er met mijn pet niet bij.

Zoals bekend ben ik nogal anti-roken.

Ik zie wat het doet met mensen. Elke dag weer heb ik rochelende, in hun eigen slijm snorkelende mensen tegenover me. Een beetje COPD-er kan het beamen: benauwd zijn is echt vreselijk. Ik heb één keer bronchitis gehad in mijn leven en vond het al beangstigend. Het niet goed door kunnen ademen. En dan stelde het bij mij op de schaal van benauwd zijn helemaal niets voor. En ging het ook weer over. Goddank.

Je zult het maar altijd hebben. Vraag maar aan mijn vriend lieve Evert hoe het is. Die kan niet eens meer van zijn stoel naar het aanrecht (vijf meter) zonder naar adem te moeten happen. Hij moet echt minutenlang puffen om bij te komen van zo weinig inspanning.

Een blogger die ik ooit volgde en inmiddels overleden is aan COPD, verwoordde het “mooi”. Het voelt alsof ik de hele dag iemand heb die op mijn borstkas zit. En ondertussen moet ik ook nog ademen door een rietje.

Dat is toch pure horror?

Dat wil je toch niet?

Vlam heeft twee keer bij mij op de praktijk geblazen en zit tegen de grens van COPD aan. Hij blies met zijn -toen- vierenveertig voor iemand van negenenzestig. Wij wonen drie hoog. Komt hij boven, we hebben het over vijf trappen, dan is hij buiten adem.

Zes jaar geleden is hij “gestopt”.

Maar ik weet dat hij regelmatig nog een sigaretje opsteekt. Ik vraag er nooit naar maar ik ben gekke Gerritje niet.

Hij doet het nooit waar ik bij ben, want ik heb hem heel duidelijk gemaakt dat ik het niet alleen supersmerig vind ruiken, maar dat het me ook tegelijkertijd boos en verdrietig maakt. Hij. Met zijn slechte longen.

Gisteravond is hij met twee vrienden de stad in gegaan. Ze hadden een zomer-biertocht.

Jill en ik zijn samen naar de bios geweest en hebben daarna een hapje gegeten in de stad. Op de terugweg naar huis, sloten we heel even bij de mannen aan. Deden één drankje en zijn weer naar huis gegaan. Vlam en zijn vriend hebben niet gerookt waar ik bij was.

Maar ik hoorde vanmorgen aan zijn gerochel na het poetsen en zijn gekuch tijdens het ontbijt dat hij het pvd weer gedaan had. En behoorlijk ook.

‘Heb je veel gerookt darling?’ vroeg ik hem fijntjes.

‘Gaat…’ was zijn antwoord. En hij kletste er professioneel om heen.

Later op de morgen vroeg hij aan me of het wel goed met me ging. Ik was afstandelijk.

‘Nee’ zei ik. ‘Ik ben boos op je. Ik vind je een eikel. Ik hóór je longen zuigen. Ik hoor het slijm. Je bent alleen maar aan het kuchen. Wanneer ga je nou eens snappen dat je lichaam dit niet wil? Dat dit niet goed voor je is? Wanneer gaat die knop nou eindelijk eens om?’

Hij stond erbij en hij keek ernaar.

Ik vind verslaving een onbegrijpelijk iets. Ik snap het niet en ik wíl het ook niet snappen…

Azijnpissers en mierenneukers.

Een fenomeen waar ik me al heel lang over verbaas, is het het leveren van kritiek van mensen op blogs, fora en Facebook.

En dan bedoel ik dus mensen die je nooit iets positiefs hebt zien schrijven, nog geen “gefeliciteerd” of “sterkte” of “wat schrijf je leuk” of zoiets hebt zien plaatsen, maar zich alleen melden als ze iets negatiefs te melden hebben. (Of als ik iets weggeef).

Die me uit het niets gaan wijzen op taalfouten.

Die me -zoals van de week- corrigeren als ik het over de bekeuring heb van Vlam. (Het is geen vier kilometer te hard, het is veertien hoor).

Of in het geval van Vlam, die een aparte Facebookpagina heeft waar hij zo nu en dan zijn eigen kookcreaties op zet. Je hebt van die figuren die ik nog nevernooit voorbij heb zien komen, nog geen likeje heb zien geven, maar die zijn zelfgemaakte sushi dan ineens gaan vergelijken met “visse-oge” (En ja: het was echt zo geschreven.) Of die schrijven dat ze vis goor vinden. Houd je klep als je niks leuks te melden hebt. Je mag ook gewoon wegklikken hoor.

(Btw: ik klikte op het profiel van meneer azijnpisser en ik zag een foto met een gedekte tafel waarop werkelijk NIKS stond, dat zelf gemaakt was. Alles uit potjes en kant en klaar. Zelfs de kruidenboter! Ik vraag me af wie het stokbrood heeft gesneden? Laten doen bij de supermarkt, in de broodsnijmachine? Eikel.)

In ieder geval: ik heb ze hier ook hoor. Zuurpruimen en oproerlingen.

Maar ik heb mijn instellingen voor het geven van reacties iets streng ingesteld. Sowieso moet iemand die de eerste keer iets zegt, door mijn eigenste ballotagecommissie. Ik check echt eerst even of ze zijn wie ze zijn.

Reacties van mensen die al vaker iets hebben geschreven op mijn blog, die gaan gewoon door, zonder dat ik ze goed moet keuren. Nou ja: als ze mijn en Vlams eigen naam maar niet noemen, of mijn woonplaats. En ik heb een aantal woorden ingevoerd, waarop hij ook blokkeert. Gewoon wat random scheld- en vloekwoorden. Het moet wel leuk en respectvol blijven. Ik heb geen zin in “geen stijl”-achtige toestanden op mijn blog.

Mensen die regelmatig de moeite nemen mee te denken of mee te leven, die mogen wat mij uiteraard betreft het ook (zo nu en dan hè?) niet met me eens zijn. Me corrigeren zelfs, daar waar nodig.

Vooruit.

Kan ik gewoon tegen hoor.

Heus.

U mag best eerlijk zeggen dat u mijn reacties of emoties soms overdreven vindt. Of dat ik zelf zeik. Want ik kan echt wel eens van een mug een olifant maken. En heel soms doe ik het ook fout, staat er ergens een ‘t’ waar een ‘d’ hoort te staan. Mag u me gewoon op wijzen.

Maar als u nooit iets opbouwends gemeld hebt en dat nu ook niet van plan bent? Blijf dan maar lekker onder uw steen.

Gedicht van René Oskam.

Om moedeloos van te worden.

Vorig jaar januari begon ik met koolhydraatarm eten. Ik skipte al mijn brood en at geen pasta en rijst meer.

Maakte ik iets waar normaliter pasta in hoort, dan verving ik mijn portie door een courgette in sliertjes.

Bij rijstgerechten zorgde ik gewoon voor meer groente op mijn bord.

In plaats van brood nam ik salades mee naar mijn werk.

Mijn ontbijtjes van crackers werden yoghurt met fruit.

Ik viel er negen kilo mee af in een jaar tijd. Best netjes, me dunkt.

Zo streng als ik was, dat ben ik niet meer. Ik neem nog steeds zuivel als ontbijt, salade als lunch en rijst eet ik zelden meer. Maar tussendoor neem ik nu knäckebröd of iets van fruit, of noten. Brood eet ik misschien één keer in de twee weken. De salades komen danig mijn strot uit moet ik eerlijk zeggen, maar ik houd koppig vol. Ik moet wel, want ik ben zo’n appel op pootjes die al aankomt van alleen een kookboek lezen.

Toen ik de teugels wat liet vieren, kwam ik meteen al twee kilo aan. Vervelend, maar niet onoverkomelijk. Ik bleef een half jaar stabiel. Ik moet eerlijk bekennen dat ik er veel moeite voor moest doen, constant op moest letten, keuzes moest maken, maar het lukte me.

Ik heb onder andere een tip toegepast die ik hier op mijn blog wel eens las als reactie. Ik eet alleen achtjes. Heb ik ergens trek in of biedt men me wat aan? Dan geef ik het een cijfer. Is het me écht waard om naar binnen te frommelen? Is het een acht of meer > doen. Scoort het lager > niet doen. Dat werkt echt. Alle traktaties op mijn werk zijn per definitie een zesje, dus op jaarbasis scheelt dat een slok op een borrel.

Ik plan ook van te voren. Ga ik vanavond aan de lasagne dan moet ik overdag even rustig aan doen met de koolhydraten. Morgen eters? Vandaag op een houtje bijten.

Twee weken geleden ging ik op de weegschaal staan en ik schrok me werkelijk kapot. Ik was ik drie (!) kilo in één week aangekomen. Terwijl ik -cross my heart and hope to die- niks geks heb gedaan. Ik heb geen sloten wijn naar binnen gegooid, ik heb me niet vergrepen aan zakken chips, me niet voorover in een bak ijs laten vallen, niets! Ik stond ook niet op het punt mijn happy period in te gaan dus kan me niet voorstellen dat het vocht was.

Ik was nooit obsessief bezig met mijn lichaam, maar hier werd ik dus wel even moedeloos van. Nogal. En sindsdien ben ik me de hele tijd aan het afvragen wat ik niet goed doe. Het zit echt in mijn hoofd. Ik begin op een echte vrouw te lijken geloof ik.

Ik ben in ieder geval stug doorgegaan met mijn voeding zoals ik het daarvoor ook deed maar ik heb sindsdien mijn wekelijke weegmoment mooi overgeslagen. Ik durf niet meer.

Ik zou mezelf bijna een te snel werkende schildklier toewensen…

Wonderbaarlijke situaties.

Soms, heel soms, ben ik even zó klaar met mijn werk.

Ik heb af en toe namelijk echt het idee dat de gemiddelde mens het IQ van een watervlo heeft. Echt totaal geen idee heeft hoe zijn/haar lichaam werkt en ook geen zin heeft zich erin te verdiepen. Want waarom zou je dat doen, als je je huisarts kan mailen en alle domme vragen gewoon kan stellen? Want jawel beste mensen, ondanks dat het ten stelligste ontkend wordt op elke nascholing die ik volg, bestaan ze wél, domme vragen.

Ik noem er zomaar een paar.

Dat je een nieuwe diabeet hebt en twintig minuten lang met behulp van plaatjes en tekeningen op echt Epie en Lepsie niveau uitlegt dat de werking van de alvleesklier minder is geworden, waardoor je minder insuline aanmaakt. Dat insuline suiker in je lichaam verwerkt. Heb je te weinig insuline, dan heb je teveel suiker in je bloed. Met alle gevolgen van dien. Dat je iemand dan tussendoor bemoedigend aankijkt, zo van ‘u snapt me toch?’ en dat je eindigt met ‘helder? Nog vragen?’ en dat iemand dan echt bloedserieus vraagt of ze nou een te hoog of te laag niveau suiker heeft? Dan wil je toch iemand met je tekenblokje vól een mep geven?

Of een jongeman, begin twintig, die chlamydia heeft. Zijn vriendin ook, maar die zit in een andere praktijk. Dat je dan heul erg ongelofelijk duidelijk (denk je) vertelt dat het énorm belangrijk is, dat ook zij die kuur neemt en aanvraagt bij haar eigen huisarts en dat ze nadat ze allebei die pillen ophebben, ze een week geen seks mogen hebben. Op geen enkel gebied. Slijmvliezen, alle slijmvliezen, kunnen de ziekte doorgeven. En dat je dan een mail krijgt en dat daarin verteld wordt dat hij haar gebeft heeft. En zij hem gepijpt. Of dat ook onder seks valt? Nee hoor, ik noem dat tuinieren. En had ik pvd alle holtes en variaties moeten opnoemen dan?

Dat je via de spoedlijn (!) gebeld wordt. ‘Ik heb ál een úúr buikpijn!’ Een uur? (Ik heb wel eens wekenlang buikpijn.) En dat je dan vraagt of zhij al iets geprobeerd heeft tegen de pijn? ‘Wat dan?’ ‘Nou, een paracetamolletje bijvoorbeeld?’ En dat je dan een oorverdovende stilte aan de andere kant hoort. ‘Weet u wat? Neem er twee in, ga even lekker liggen, leg eventueel een kruikje op de buik en als het over een uurtje nog zo’n pijn doet, bel me dan even terug’. Ik hoor nooit meer iets terug, maar dat zal u niet verbazen. Hoop ik…

Mensen die mij mailen en vragen wat het telefoonnummer is van de fysio’s die bij ons in het gebouw zitten? Of hoeveel ibuprofen ze per dag mogen nemen? Of waar we gevestigd zijn? Hoe laat het lab opengaat?

Beste mensen: heeft u ooit wel eens van Google gehoord?

Heet ik Tom Tom?

Weet u waarvoor dat enorme stuk papier is dat ook in uw doosje met pijnstillers zit?

Zucht.

Hele diepe zucht.

Is het nog te laat om me om te laten scholen tot boswachter?