En weer eentje minder…

In 2004 ben ik begonnen in de gezondheidszorg.

Eerst als doktersassistente. Maar daar had ik snel genoeg van. Ik zat voornamelijk aan de telefoon en dat is niet bepaald mijn hobby. Ik word bloednerveus van bellen.

Ik ging weer terug de schoolbanken in en werd praktijkondersteuner.

Goeie keuze: ik voel me als een vis in het water in deze functie.

Ik zorg onder andere voor de chronische patiënt. Mensen met diabetes, COPD, hoge bloeddruk. Kortom: mensen die medicatie gebruiken en onder toezicht dienen te blijven. Natuurlijk is het geweldig als de cijfertjes goed zijn (want we staan onder controle van een zorggeroep die op zijn beurt weer communiceert naar de zorgverzekeraars ) maar minstens zo belangrijk is het dat mensen zich lekker voelen. Dat ze “graag” naar ons toe komen en zich veilig voelen zodat ze ook alles durven te vragen.

Als mensen slecht ter been of tijdelijk uit de roulatie zijn vanwege een operatie of zo en Mohammed niet meer naar de berg kan komen, gaat deze berg naar Mohammed. Met andere woorden: ik bezoek ook mensen thuis.

De mensen zelf vinden dat prettig want ik blijf altijd hangen voor een praatje. Mijn werkgever juicht dat van harte toe. We hebben een praktijk die Goddank heel sociaal is. Ik kom bij mensen die soms een hele dag niet praten. Waar alleen in het weekend bezoek komt. De dagen zijn voor veel mensen eindeloos. En ze worden heel blij van even iemand die hun verhaal aanhoort. Die een kopje koffie met ze drinkt. Waar ze even hun hart bij kunnen luchten. Soms help ik ook met kleine dingetjes die ze zelf niet kunnen. Zoals de batterij van een rookmelder vervangen, of even een verpakking pillen doormidden breken. Of ik smeer beschuitjes en zet koffie. Pleeg onderhoud aan hun orchideeën.

Zelf vind ik die huisbezoeken ook heel fijn. Het is bijzonder als je zo close met mensen wordt. Als ze zich openstellen voor je. Als je ze kunt laten gieren van het lachen. Of ze even vastpakt en in je nek laat snotteren.

Één van mijn patiënten die ik al bijna twaalf jaar ken en op wie ik erg gesteld ben geraakt, een man die altijd gewoon naar de praktijk toe kon komen, bezocht ik vlak voor de zomervakantie enkele keren thuis. Hij is een paar jaar geleden geopereerd aan een melanoom op zijn arm. Maar zijn grootste angst is waar geworden: uitzaaiingen. In zijn hersenen. Einde oefening.

Ik bezocht Jan de de week voor mij zomervakantie nog een laatste keer. In het hospice.

Hij lag in zijn bed en ik liep zijn kamer binnen. Ik tikte hem op zijn schouder. Hij deed zijn ogen open en was heel blij me te zien. Een grijns van oor tot oor. Ik ging naast hem zitten en pakte zijn hand. En hij aaide over de mijne. ‘Zijn ze een beetje lief voor je?’ vroeg ik hem.

Jan knikte beamend. ‘Volgens mij heten ze allemaal Klivia’

Ik moest een traantje wegpinken.

Hij ook.

Een week later was hij overleden.

Ik heb even ongegeneerd lekker onprofessioneel zitten janken aan mijn bureau toen ik het hoorde.

Sommige mensen gaan diep.

Een eigen gecreëerd isolement.

Wij hebben een patiënt die behoorlijk van de obese is. Daardoor heeft hij suikerziekte gekregen én een torenhoge bloeddruk.

Deze man woont alleen, is alleen en heeft naar mijn weten ook nog nooit een partner gehad.

Hij heeft een nogal -eh- aparte lichaamsgeur. Iets tussen oud zweet en iets zurigs in. Hij heeft vlekken op zijn kleren. Sterker nog: hij heeft vlekken op zijn vlekken. Hardgeworden zacht. Zijn haar is te lang en je kunt er een kroketje in bakken. Zijn nagels zijn te lang en er zitten diverse ondefinieerbare zaken onder verscholen. En het allerergste, -de meest smerige geur die er bestaat wat mij betreft-, hij heeft ontstekingen in zijn tandvlees. Bij elke teug lucht die hij uitademt, krimp ik bijna in elkaar. Als hij weg is, spuit ik altijd deo in mijn kamer en zet ik het raam wagenwijd open.

Maar hij is ook heel slim en heeft een lekker droog gevoel voor humor. En langzaam, de poolcirkel smelt sneller, stelt hij zich open voor me. Ik heb het na járen proberen en stimuleren en mijn hoofd te hebben gestoten nu voor elkaar dat hij elk kwartaal op zijn brommertje van de andere kant van de stad naar mij toekomt. En we lachen samen. En toen hij twee kilo was afgevallen stond ik echt bijna te juichen voor hem. ‘Ik ben écht heel blij met dit resultaat joh’ zei ik. ‘Dat heb je super gedaan!’.

‘Jij hebt helemaal niets nodig om blij te zijn’ zei hij nogal bescheiden. ‘Nou, zeg dat maar tegen mijn man’ zei ik. En toen moesten we allebei heel hard lachen.

Volgende week komt hij bij me voor een Doppler. Een vaatonderzoek. Ik meet dan de druk op zes verschillende plaatsen. Onder andere vaten aan de voeten.

En dáár ben ik bang voor. Want als de rest al zo verwaarloosd is, hoe zouden die voeten er dan in vredesnaam uit zien? Ik houd mijn hart vast.

En dus heb ik hem maar gewoon eerlijk gevraagd te zorgen voor schone voeten. Ik legde uit dat hij me daar heel gelukkig mee zou maken. ‘En dan geen sokken aantrekken die je al vijf weken aanhebt hoor’, zei ik ook nog even. Met een dikke knipoog. Hij grijnsde. Gelukkig.

Ik vind het zo jammer dat hij zo geworden is. Zo beschadigd en zo alleen. Hij is terecht gekomen, verstrikt eigenlijk meer, in zijn eigen gecreëerde isolement.

Zou hij een mondhygiënist bezoeken en misschien een fijne psycholoog en elke dag even lekker onder de douche springen en zijn kleding zo nu en dan eens wassen, dan weet ik zeker dat er voor hem ook iemand kan zijn. Hij heeft echt veel om te geven namelijk. Maar nu houdt hij iedereen –ook letterlijk dus- op afstand.

Jammer dat ik zevenentachtig grenzen over zou gaan als ik dat tegen hem zou zeggen. Maar mán wat zou ik hem dat graag willen vertellen. Ik gun hem zo een leuker leven. Want dat verdient hij.

Jawel, het is weer zover.

Over enkele weken is het zomervakantie voor ons en zoals elk jaar is mijn werkgever zwaar aan het stranden in het zicht van de haven en is hij werkelijk niet te genieten.

Nou is het de laatste weken ook extreem druk. We namen waar voor twee andere praktijken en dat is naast ons gewone werk, niet te doen. De spreekuren zitten bomvol en -wat we normaal doen- een paar plekjes vrij houden voor spoedzaken, lukt nu dus niet. Dus áls je iets tussendoor krijgt, kun je geen kant meer op.

Onze eigen patiënten zijn keurig opgevoed. Die weten dat wij not amused zijn als ze over de spoedlijn gaan bellen omdat ze hun medicatie zijn vergeten te bestellen. Onze eigen patiënten halen het niet in hun hoofd om om half vier nog “even” langs te willen komen omdat ze eigenlijk al vanaf ’s morgens vroeg een blaasontsteking hebben. Die komen gewoon in de ochtend. Die van andere praktijken niet. Die kennen onze regels en voorkeuren niet. En ze proberen ons uit.

Peter is aan het einde van zijn Latijn en reageert het zoals gewoonlijk af op ons.

Vooral Laura moet het ontgelden. Die is een stuk minder mondig dan ik en dus een gemakkelijk doelwit. Bij mij denkt Peter wel drie keer na voor hij slakken op zout gaat leggen.

Vanmorgen was hij één en ander zó zat, dat hij even vergat dat hij niet met mij moet fucken.

Ik vroeg hem of hij de schone was mee wilde nemen. Onze handdoeken waren op. Volgens zijn vrouw stond er al een week naast de voordeur een tas met schone spullen. Hij liep er steeds gewoon langs.

En ja hoor. Daar kwam ie: de sneer.

‘Mijn vorige assistente nam de was altijd mee naar huis. Jullie zorgen voor extra belasting, nu moeten wij het doen’.

Ik ontplofte intern. Deze lulkoek heb ik namelijk al een aantal keer gehoord in de afgelopen twaalf jaar.

‘Ga je nou weer lopen zeiken over de was? Dat is jullie pakkie an. Ik weiger die was te doen. Het is jouw praktijk. Niet de mijne’.

Peter keek me link aan en liep weg.

Wóést was ik. Ik heb de afgelopen weken aardig lopen incasseren en dit was de druppel. We hebben ons werkelijk de schompes gewerkt en dan ga je moedwillig de sfeer lopen verzieken? Ik weet inmiddels hoe het gaat. Dat worden héle lange weken tot aan de vakantie. Weken van tandvlees lopen. En daar had ik geen zin in.

Ik mailde Peter en vroeg hem waar ik die sneer aan verdiend had? En ik vroeg hem of die assistente die de was altijd deed dezelfde was als die dame die zich te pas en te onpas ziek meldde wegens hoofdpijn? Of we het hadden over de assistente die op de praktijk haar nagels lakte en haar hond meenam? Of het die vrouw was die toen ik op de praktijk kwam een inbouwkast vol met dossiers en niet in het systeem gebrachte specialistenbrieven bleek te hebben gehamsterd? Waar ik járen mee bezig geweest ben om op te verwerken?

Ik klikte op enter en ging visites doen.

Ik verwachtte ruzie toen ik weer terug kwam op het nest. Ik was er klaar voor en sleep mijn messen al.

Peter was echter poeslief. Króóp bijna. Wenste me een goed weekend en maakte grapjes.

Ik geloof dat de boodschap aangekomen is.

Zo, die hebben we ook weer overleefd.

Gisteravond had ik een nascholing.

Ik ben een groot voorstander van je brein bezig houden, het te vullen met nieuwe informatie.

Helaas zijn mijn nascholingen altijd een soort Groundhog Day. Altijd hetzelfde. Er verandert nou eenmaal niet veel op het gebied van diabetes en COPD. Soms wordt er een nieuw soort medicatie uitgevonden. Maar dat is dan toch een kwestie van uitproberen in de praktijk. Daar leer je. In de schoolbanken niet.

Gisteren hadden Peter en ik samen een nascholing over persoonsgerichte zorg. Over -jawel ende hoera- het loslaten van protocollen. Leef je in in wat de patiënt wil, focus je minder op de cijfertjes maar probeer samen (!) het hoogst haalbare eruit te slepen.

Hartstikke leuk natuurlijk en ik juich het van harte toe.

Echter: de zorggroep onder wiens toezicht wij staan en de grootste zorgverzekeraar uit deze regio, die rekenen ons wél af op onze scores.

Zo scoren wij, en dat zal u niets verbazen gezien het feit dat we in een achterstandswijk zitten, ondermaats wat betreft BMI, roken, beweging en de slechte cholesterol/vetten, zoals LDL en triglyceriden.

Ik wil met alle liefde tegen een obese rokert zeggen dat het helemaal niet erg is hoor dat zijn longen elk jaar achteruit gaan. Je moet doen waar je je lekker bij voelt.

Nou ja: over gisteren. Niemand heeft natuurlijk zin om met zo’n dertig graden in een bloedheet zaaltje te gaan zitten luisteren naar suffe verhalen. Ook ik niet. Ik stapte om kwart over zes met frisse tegenzin in de auto van Peter. Peter die ik al de Godganse week om me heen heb en die altijd nogal -eh- aanwezig is. Die graag en wollig vertelt over dingen die ik na twaalf jaar dienstverband al tig keer heb gehoord. Idem dito wat zijn nogal flauwe en belegen moppen betreft. Die als ik pech heb, ook nog eens gaat zingen.

En jawel: hij ging zingen.

En we reden zó de file in.

En Peter rijdt als een debiel. Hij ziet niks, denkt dat hij de enige is op de weg en frommelt zijn kleine Coltje zo tussen bussen en vrachtwagens in. Voordeel van dat hij niets ziet, is dat hij ook alle middelvingers die wij onderweg krijgen, niet opmerkt.

Ik wel.

De combi bloedheet en doodsangsten en plaatsvervangend schaamtegevoel, maakte dat ik -iets te laat- met zweet in de bilnaad aankwam in Naaldwijk. Alwaar nét de voorstelronde (mijn lievelings) was begonnen. Alsof ik na de tweede persoon nog de namen weet én waar ze vandaan komen. En alsof me dat interesseert.

Het enige waar ik op dat moment interesse in had, was wanneer de festiviteiten afgelopen zouden zijn.

Half tien.

Poeh.

De avond heeft ons niets nieuws gebracht.

En om het nóg triester te maken, kregen we halverwege blinddoeken en moesten we ons door de zaal laten leiden. Om te ervaren hoe jezelf als patiënt overgeleverd bent aan een ander.

Het is dat mijn broek danig aan mijn hol gekleefd zat, anders was ie afgezakt.

Op de terugweg vloog er een Nijlgans bijna onze voorruit in. Ik vertelde Peter (die nul ornithologische kennis heeft) dat het een Nijlgans was maar dat het eigenlijk een eend is en geen gans.

‘Goh Kliefje’ zei hij, ‘Bedankt. Jij bent de enige die me vanavond iets nieuws heeft geleerd…’

Je hébt van die dagen!

Gisteren was een vreselijke dag.

Het begon met een pittige discussie met een patiënte van ons. Iemand die arrogantie heeft uitgevonden. Nooit een lachje, altijd zeuren en zich benadeeld voelen. Je het gevoel geven alsof je één of ander insect bent. Als ze met mij (of mijn collega Laura) praat trekt ze altijd een gezicht alsof ze poep ruikt.

Kom ik haar in de stad tegen, dan doet ze net of ze me niet ziet. Ik heb haar -geen gein- wel eens achter een fiets zien wegduiken. Als de dood dat ik gedag tegen haar zei en zij het terug moest zeggen.

Brrrrr. Vriendelijkheid.

Al zou ik een dubbele flikflak doen met vuurwerk in mijn kont, dan nóg zou het niet goed zijn.

Gisteren dus ook weer niet.

Wat wil het geval?

Het ziekenhuis, waar ze vorige week bloed is gaan laten prikken, is haar buisjes ergens in het proces kwijtgeraakt. Er was geen uitslag te vinden. Ze kwam bij mij voor de resultaten maar wij hadden niets. Dus ik mailde en belde naar het ziekenhuis maar ze stond gewoon niet in het systeem.

Ik deelde haar dat mee.

Ze schoot vól de irritatie in. Ze beschuldigde me ervan dat ik suggereerde dat ze niet geweest was.

‘Ik trek uw verhaal niet in twijfel. Ik deel u alleen mee dat het ziekenhuis niets van u heeft. Uw bloed is daar blijkbaar kwijtgeraakt’.

Maar ze ging maar door en door en door.

Ik viel haar op een gegeven moment in de rede, vertelde dat ze haar klacht niet bij mij moest leggen, maar moest deponeren in het ziekenhuis. En ik duwde haar nog net niet de deur uit…

Raar wijf. Als je iets bij de Hema koopt dat je niet bevalt, ga je toch ook niet zeiken bij de Etos?

Toen ik haar de weggewerkt had, kwam zuurpruim nummer twee.

Die had één en ander verkeerd begrepen. Laura en ik doen elke morgen tussen acht en negen uur, zonder afspraak, kortdurende medische handelingen zoals het meten van bloeddrukken, hechtingen verwijderen en bloedsuikertjes prikken. Even melden aan de balie en op volgorde van binnenkomst word je dan geholpen. Meestal ben je zo aan de beurt, soms moet je heel even wachten.

Op dit moment nemen we waar voor twee andere praktijken dus is het extreem druk.

Die zure man kwam om acht uur, maar toen stond er al een bescheiden rij. Toen hij aan de beurt was, was het (mede dankzij mijn tijdslurpende botsing) half negen. Op mijn vrolijke “goeiemorgen” kwam een binnensmonds gemompel terug. Meneer was boos. Want hij had een afspraak om acht uur en ik was te laat. Ik legde hem fijntjes uit dat hij het zelf niet goed begrepen had, we maken namelijk geen vaste afspraken, het is ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. En ik voegde er aan toe dat ons stinkende best deden. Had hij niet gezien dat de wachtkamer bomvol zat?

Nul respons. Laat staan een ‘oh, dan heb ik het niet goed begrepen’ of iets van die strekking. Hij bleef mokken.

Toen hij weg was, checkte ik voor de zekerheid mijn menstruatieapp. Het zou zomaar kunnen dat het aan mij lag, ik ergerde me werkelijk kapot aan het gedrag van beide mensen.

Maar nee, niks aan de hand. Ik hoefde geen hand in eigen boezem te steken. Het lag echt aan hen.