En zo tobben we voort…

Ik ben er na vijftien (!) weken “ziek zijn” nog steeds niet aan gewend. Aan mijn nieuwe status als patiënt zijnde. Ik heb er enorme moeite mee om steeds maar weer te moeten wikken en wegen en keuzes te moeten maken.

Gisteren was weer zo’n dag.

Ik heb drie uurtjes gewerkt, waarvan ik een half uur bij de manueel therapeut op de bank lag. En een uur lang een longfunctieonderzoek afnam. Amper computerwerk dus. Ik ben begonnen om twaalf uur en was kwart over drie ’s middags weer thuis. Vlam heeft me zowel gebracht, als gehaald. Tussen half vier en kwart voor vijf lag ik gestrekt op bed. Ik heb een half uur geslapen. Van vijf tot half zeven ben ik naar een verjaardag geweest. Toen zijn we doorgegaan naar Jills school, voor een mentorgesprek. Om kwart voor tien ging ik naar bed.

GESLOOPT.

Met suizende oren, een piepend hoofd en behoorlijke hoofdpijn.

Ik kwakte er een tramadol in en nam drie druppels THC. Niks half werk.

Ik was echt meer dan klaar voor een lekkere lange nacht.

Mijn vliezen beslisten echter anders.

Om één uur was ik nog klaarwakker en verkaste ik van ellende naar de bank. Het leek wel alsof mijn hoofd overliep. Alles zat te vol en te strak. Alles gonsde en knetterde en tintelde.

Ik jankte van pure zelfmedelijden de ogen uit mijn kop en viel uiteindelijk in slaap. Voor een paar uurtjes. Want Misty vond het nodig midden in de nacht als een debiel rondjes te gaan rennen door de woonkamer. Onder luid gemiauw.

Vanmorgen was ik gebroken.

En zo’n K nacht is niet bevorderlijk voor de vliezen, kan ik u zeggen. (Noch voor de wallen en de oogleden. Ik zíé eruit vandaag. Om te janken. Oh nee. Laat ik dat maar niet doen).

Ik had het er gisteren nog met Vlam over. Tuurlijk was het weer teveel. Maar waar de hel had ik moeten strepen dan? Had ik niet mee moeten gaan naar school? Had ik mijn vriendin moeten afbellen? Nóg minder moeten werken? Sorry Peter, ik ga een uurtje eerder naar huis want ik heb een verjaardag straks. Hij ziet me aankomen. Ik zie mezelf aankomen.

Ik weet het niet hoor.

En ik vind het echt verdomde moeilijk om elke dag weer van te voren te moeten verzinnen wat ik denk aan te kunnen.

En waar ik ook verschrikkelijk moe van word, nu ik toch een rondje aan het zeiken ben, is mijn over-emotionele aard van de laatste tijd. Ik schiet van alles vol. Gisteren ook weer. De mentor vertelde dat Jill begin van het schooljaar even een moeilijke start had gehad omdat ze zich zo’n zorgen om mij had gemaakt. Het was duidelijk merkbaar geweest op school dat ze van slag was. Ik heb met de grootste moeite mijn tranen weg zitten slikken. In de auto kwamen ze. En in bed kwamen ze nog een keer. En nu ik er weer aan denk, zitten ze wéér hoog.

Ik mis de oude mij.

Bron: Pixabay

Die zijden draad hè?

Terwijl wij in Moraira in een restaurantje zaten, Valenciaanse paella etend en rosé drinkend, met een maan die opkwam uit de zee, lag in een ziekenhuis 2000 kilometer verderop een goede vriend van Vlam zijn laatste uren te leven.

Peter is de middag daarna overleden.

51 jaar oud.

Kut. In het kwadraat.

In eerste instantie is Peter gediagnosticeerd met lymfoom. Daarvan is hij genezen verklaard. Maar toen ontwikkelde hij acute leukemie. En die is hem fataal geworden.

Vlam schreef op zijn Facebook: hoe heftig en bizar is het leven, wat is genieten? Ik zit in Spanje met mijn gezin en moeders is een paar dagen over. Vanavond waanzinnig gegeten met mooie wijn en een maan die uit de zee opkomt. 100% Happy. Beter en mooier kan niet. Maar ondertussen is er dat rotnieuws, bepaalde medicatie sloeg niet aan en redelijk onverwachts gaat het fout met dat fijne vriendje, die ergens in een ziekenhuis ligt te vechten en waarvan we weten dat de morgen heel, heel ver weg is; waarschijnlijk dat de morgen er niet meer is… Nu iedereen hier naar bed is, zit ik buiten en kijk naar die mooie maan, trek een biertje open en geniet met tranen. Proost vriendje.

De donderdag nadat we thuis kwamen, hadden we de crematie.

Een nogal indrukwekkende gebeurtenis. Peter was zeer geliefd en de mensen waren in groten getale gekomen om afscheid te kunnen nemen van hem.

De zaal was te klein.

Met tv schermen in de wachtruimte kon de rest ook meekijken met wat er gezegd en afgespeeld werd.

Omdat zijn vader en broer niet capabel waren en Peter verstokte vrijgezel was, hebben goeie vrienden van hem de zware taak op zich genomen alles te regelen omtrent de plechtigheid.

En dat hebben ze práchtig gedaan. Complimenten.

Een aantal mensen sprak die middag. (Zeer knap dat mensen dat kunnen. Tussen hun emoties door). Er was een werkgever die hem de hemel in prees. Een vriend die met grappige anekdotes kwam. Een andere vriend die vertelde over Peter’s ziekteverloop. En weer een ander las een brief voor die de broer en vader van Peter hadden opgesteld.

En er was een collega. Ze was ze één en al lof. Tenminste, dat dénk ik. Want ik verstond echt geen ene fluit van wat ze zei. Ze was zeer emotioneel en moest te pas en te onpas een slok water nemen omdat ze niet uit haar woorden kwam. De snikken kwamen echt uit haar tenen. Plotsklaps was het afgelopen. Ze zette haar water neer en liep als een speer terug naar haar stoel. Ik had even de eindconclusie gemist en keek Vlam vragend aan. Maar er was helemaal geen einde. Ze was gewoon middenin haar verhaal gestopt. Ze kón niet meer…

Ze had vier hele weken met Peter samengewerkt.

Ik had een beetje het “Tempo Team” gevoel… Het waren twee fantástische dagen. Maar dan anders.

We hebben daar achteraf heel hard om moeten lachen, Vlam en ik.

En ik weet zeker dat Peter dat ook had gedaan…


PS: mag ik van de gelegenheid gebruik maken om u te vragen stamceldonor te worden? Ik heb me ook opgegeven, toen ik hoorde dat Peter weer ziek was geworden.
Klik hier.

Bezig baasje. Ik.

En toen was het zalige lange weekend alweer bijna voorbij.

Time flies…

Vanmorgen zat ik om kwart voor acht al op de fiets, om te gaan -jawel, geen gein- sporten. Niks uitslapen en nog even gezellig tegen Vlam aankruipen. Om kwart over zeven ging mijn wekker. Het moet niet gekker worden. Ik was ook nog eens als eerste binnen in de sportschool. Ik schrok er zelf ook van.

In de afgelopen drie weken ben ik braafjes twee keer geweest. En ik heb alle apparaten al behoorlijk opgevoerd. Sommige van tien naar vierentwintig kilo. De weerstand van hometrainer en crosswalker heb ik ook lichtjes opgeschroefd. Die doe ik overigens echt op het gemakkie. Ik wil geen tegenspartelende heup tenslotte.

Vanmorgen deed ik braaf mijn twee rondjes cirkel én heb ik als bonus ook nog tien minuten op de loopband gelopen. Niks rennen, gewoon stevig doorlopen. Ik vind loopbanden trouwens enge dingen. Ik heb al weet ik hoeveel filmpjes gezien van mensen die van die dingen af lazerden. Dus ik vroeg “de juf” me even precies uit te leggen hoe zo’n ding werkt. En ik legde mijn angst uit. Schijnt zo’n ding gewoon een soort dodemansknop te hebben. Die maakte ik dus meteen stevig vast aan mijn mouw. Ik ben waarschijnlijk de enige op het noordelijk halfrond die met een lullige vijf kilometer per uur dat veiligheidsding om heeft. Ik voelde me dan ook enigszins een muts.

Ik voel me sowieso een muts, met dat halfbakken gesport. Op de schaal van inspanning stelt het natuurlijk geen ene moer voor, dat Milon. Vier keer vier minuten cardio en twaalf keer één minuut spieroefeningen en dat twee keer in de week. Ik voel me een beetje Epie en Lepsie als ik bezig ben. Een luie huisvrouw die ook zo nodig iets moet doen. Zoiets. Het is in mijn beleving nog nét geen slenderen.

Vlam raakte er iets geïrriteerd door vanmorgen. ‘Haal jezelf niet zo naar beneden joh’ zei hij. ‘Voor iemand die nog nooit heeft gesport is het heel wat, dat je de discipline hebt om twee keer in de week te gaan, überhaupt te gaan. Ik ben trots op je. Toevallig’.

En misschien heeft hij wel gelijk. Moet ik het niet zo bagatelliseren.

In ieder geval raakte ik er iets geëmotioneerd door, door zijn vermanende (en lieve) praatje.

Nou heb ik -helaas- de laatste dagen sowieso niks nodig. Ik jank om niks. Ik stak van de week mijn mascararoller in mijn oog. Janken. Mijn heup deed zeer. Janken. Ik zag gisteren Ariana Grande huilen op tv. Ik deed gezellig mee. Stiekem. Onder het mom van “vuiltje in mijn oog” zat ik driftig te wrijven. Want normaal schaam ik me nul komma nul als ik moet huilen, maar de laatste week is het wel heel erg gesteld met me en vind zelfs ík het té erg.

Niet alleen mijn bovenbeen-, schouder- en rugspieren ben ik fijn aan het trainen.

Ook mijn traanbuizen worden behoorlijk intensief gebruikt.

Ik sla geen stukje lijf over.

Hapto-vervolg.

Afgelopen vrijdag was ik voor de tweede keer bij Ineke, “mijn” haptotherapeut.

De eerste keer hebben we besproken waarvan ik dacht dat het de oorzaak was van mijn klachten.

Ik wijt mijn nek-en schouderklachten namelijk niet uitsluitend aan een slechte werkhouding, maar vooral aan het feit dat ik geestelijk overbelast ben op mijn werk. Mijn collega heeft al hele lange tijd issues in de privésfeer en is er vaak met haar hoofd niet bij. Feit is dat ze niet functioneert zoals ze zou moeten.

Ik zit om die reden met al mijn antennes uit. Scannend of het wel goed gaat, of ze de juiste dingen zegt, geen fouten maakt.

Voor mij, van nature een introvert persoon, een onveilige situatie, aldus Ineke. In plaats van me op mezelf te richten, sta ik de hele dag naar buiten gekeerd.

Volgens de leer van de haptonomie is dat een reden waardoor mijn cellen verkrampen, ik zelf dus ook verkramp en mijn “zijn”, mijn welbevinden, dat zich normaal ter hoogte van de buik bevindt, is naar boven gestegen. Mijn ruggengraat vanaf mijn middel tot aan mijn nek is zo stijf als een plank. Je schouders hangen daar ook aan vast. Gevolg: chronische pijn.

Na het eerste gesprek met Ineke ben ik meteen aan de slag gegaan.

Ik heb drie ochtenden lang met oortjes in gezeten. Terwijl ik de administratie deed, luisterde ik naar mantra’s. Ontspannend. Maar dat was niet de voornaamste reden. Ik sloot me vooral af voor dat wat er verderop gezegd en gedaan werd. Mijn collega is verantwoordelijk voor dat wat zij doet. Niet ik. Ik hoef niet alles op (letterlijk) mijn schouders te nemen. En maakt ze fouten, dan is zij daar aansprakelijk voor.

De tweede beslissing die ik maakte was haarzelf voortaan voor haarzelf op te laten komen. Ik hoef dat niet te doen. Zij is verantwoordelijk voor hoe mensen met haar omgaan en óf en hoe zij daar op reageert. Lukt dat niet dan moet ze zelf met een oplossing komen.

Vrijdag zat ik dus voor de tweede keer bij de haptotherapeut en ondanks dat ik een pittige week had gehad, lange dagen had gemaakt ook, had ik voor het eerst sinds weken geen pijn.

Ineke was trots op me dat ik meteen zo fanatiek was begonnen met werken aan mezelf. En net als ik verbluft over het resultaat op mijn lichaam.

Ze masseerde nog even de boel los.

Ik ga door met de oefeningen die ik kreeg van mijn manueel therapeut.

En over twee weken zien we elkaar nog een derde keer.

Als dat nodig is.

Ik hoop het niet. En ik denk het ook niet. Ik sta achter mijn beslissingen. Ik geef enorm veel om mijn collega, maar mijn eigen lijf en psyche zijn nét even belangrijker. Elke dag pijn is waardeloos, voor mijzelf in de eerste plaats. Maar daardoor mijn gezin belasten met mijn lage energielevel en mijn soms nukkige buien, is zeker niet de bedoeling.

Nou alleen nog even dat waardeloze schuldgevoel naar mijn collega toe een plekje zien te geven.

En hoe leg ik haar uit dat ik enorm om haar geef, haar niet laat vallen, maar dat ik wél meer afstand moet nemen? En dat alles zonder haar te kwetsen?

The neverending story of the Tokkies

As we speak wordt er aan de andere kant van het portiek druk gehakt, gebeiteld en gehamerd.

De buurman is een nieuw slot in zijn voordeur aan het zetten. (In het licht van een zaklamp, want het gezin is al een jaar afgesloten van elektra en gas).

De buurvrouw is vanmorgen onder luid gegil door hem de deur uitgezet. ‘En als je terugkomt, maak ik je dood’, gilde hij haar nog na.

Ze kwam terug. Na een kwartiertje. Met politie.

Hun Sint Bernard aka “koethoend”galoppeerde intussen zonder riem door de ganse straat. Genietend van haar vrijheid. Ik geef het arme beest geen ongelijk.

Buurvrouw bleef korte tijd in Residentie Tokkie en vertrok toen op haar fiets. Met een paar tassen kleding en shag. Dat laatste is dichterlijke vrijheid natuurlijk.

Twee weken geleden is hun zoontje al vertrokken. Die werd door een achttal politieagenten meegenomen in een busje. Ze hadden voor de zekerheid een stormram bij zich omdat onze buren bekend staan op hun niet-opendoen. Dat rammen bleek gelukkig niet nodig. Eén en ander lijkt me voor dat mannetje al traumatisch genoeg.

Er staan regelmatig mensen tevergeefs op hun deur te kloppen. Agenten. Mannen van de energiemaatschappij. Deurwaarders. Sociaal beheerders van de woningbouw. En postbodes met aangetekende brieven.

Voor wie hier pas geleden is komen lezen: onze buren zijn kut. “Koet” om met de woorden van de Bulgaarse buurvrouw te spreken. Ik kon haar nooit verstaan en wist niet uit welk land ze kwam, tot de buurman een keer vanaf hun balkon de lieflijke woorden uitsprak: ‘vieze Bulgaarse kankerhoer!’.

‘Aha’ dacht ik. ‘Ze komt uit Bulgarije!’

Mysterie ontrafeld.

Het hele portiek is gek op dit gezin.

Ze roken zich te pletter, het hele portiek meurt er naar. En de trap ligt vol met peuken. En stukken Sint Bernard. Als je alles bij elkaar zou vegen, kun je zo een nieuwe hond breien. Ons portiek wordt extra schoongemaakt, vanwege de bende die zij er van maken. Maar de allesreiniger is nog niet opgedroogd, of de eerste zooi ligt er al weer.

De gemeenschappelijke ruimte is opgeëist door de buurman die daar tig fietsen heeft gestald. Want je weet maar nooit of je onderdeeltje x of y nog eens kunt gebruiken.

Ze hebben een allesbrander gehad waarmee ze de hele straat uitrookten.

Ze maken veelvuldig ruzie. Krijsen dan echt tegen elkaar. En voor elk zelfstandig naamwoord, zetten ze zorgvuldig en zonder uitzondering, het woord “kanker”.

Van de week was er een pakje bezorgd voor mij. In de brievenbus lag een “niet thuis” briefje met de mededeling dat het bij de Tokkieburen was afgeleverd. Fijn. Ik wilde al wachten tot Jill thuis was, want ik ben ergens begin dit jaar gestopt met communiceren met ze. Al struikel ik over ze, ik zwijg.

Het was niet nodig om te wachten want de buurvrouw belde zelf al aan.

Als je in Van Dale het woord “verslagen” opzoekt, zou daar achter kunnen staan “de buurvrouw van Kliefje”. Ik heb nog nooit iemand gezien die zo leeggezogen was. Die zo triest en troosteloos was als zij. Ondanks dat ik haar een vreselijke vrouw vind, raakte het me diep. Dit gun je niemand.

En nu is ze nóg dieper gezonken.

Nu heeft ze geen kind meer.

En geen huis.