In een slakkentempo.

Hmmmm. Het wil nog niet zo vlotten met mij en het schrijven.

Ik probeer het wel. Heb al tig conceptjes staan in mijn WordPress, maar het komt niet tot briljante verhalen. Sterker nog: een niks bijzonders, ondermaats stukje van 500 woorden lukt me niet eens. Laat staan dat het lachen, gieren, brullen is.

Ik zit veel minder online dan normaal.

Ik doe amper meer wat op Facebook.

Anders blogs lezen staat ook op een heel laag pitje.

Ik probeer het wel, ik doe het wel, soms, maar ik sla niks op. Ik lees en halverwege heb ik echt geen idee waar het over gaat. Ik ben ook heel snel afgeleid. Nu ook weer. Ik probeer een stukje te tikken en ineens bedenk ik me dat ik kaarten voor aanstaande vrijdag moet bestellen, voor de film. En -hop- ik zit op de website van Pathé.

Corrigerende interne uppercut. Niet doen Klivia. Hier was je bezig!

En weer terug.

Waar was ik ook alweer?

Ik werk nog steeds op halve kracht. Ik wilde het wel vandaag, een hele dag proberen. Maar na vier uur mails beantwoorden, dossiers binnenharken, de elektronische post verwerken en herhaalmedicatie verzorgen, vonden mijn hersenen het welletjes.

Peter vroeg me hoe het ging en ik antwoordde dat het genoeg was voor vandaag. De piep was terug in mijn hoofd en het voelde weer alsof ik een te strakke badmuts op had. Schoorvoetend gaf ik toe dat ik graag naar huis wilde.

Ik baalde ook enorm joh. Het is nu vierenhalve week geleden dat ik die bloodpatch kreeg en nog steeds ben ik niet mezelf. Ik lijk met vlagen wel dement. Kan niet op woorden komen. Ik vergeet dingen die mensen tegen me gezegd hebben. Multitasking lukt me nog niet. Ik had heel optimistisch bedacht dat mijn sterke lijf dat me nooit in de steek laat, altijd wel door kan, binnen no-time hersteld was. Helaas joh.

Ik ben niet teleurgesteld. Dat is het niet. Maar ik vind het lastig te verkroppen en er zijn dagen dat ik niet waardeer dat er ook heel veel weer wél kan. Dan zie ik dat echt niet.

Dat is niet eerlijk tegenover mijn lichaam. Want er is echt veel vooruitgang, zij het in slakkentempo.

Ik heb vandaag elf kilometer gefietst. Ik heb vierenhalf uur gewerkt. Non stop. Ik sport weer (standje bejaard) drie keer in de week. Kook, zuig stof, speel huisvrouw. Ik ben voor het eerst weer naar de bioscoop geweest. Drie uur lang. En daarna gezellig koffie gedronken in de stad. Zonder een centje pijn.

Maar ik ben met vlagen ook heel pessimistisch. Sip zelfs. Ik huil om niks. Slapen gaat shit en zonder chemische rommel lukt het me niet om een paar uur achter elkaar onder zeil te zijn. Dus ben ik langzaam maar zeker in een benzo-junk aan het veranderen.

Ik geloof dat ik stiekem toch een mini posttraumatisch stress syndroompje aan het verwerken ben.

Of zoiets.

Zó niet grappig.

Gisteren, toen Jill uit haar werk kwam, vroeg ze ons of wij het ook tegen caissières zeggen als ons gevraagd wordt of we de bon willen hebben: ‘nee hoor, ik kan ‘m toch niet inleveren bij de belastingdienst…’

Jills broek zakt zo nu en dan af van dat soort “humor”.

Ik snap haar vol-le-dig.

Ik heb een collega die, nog steeds, al sinds de jaren ’80, als je een goed antwoord geeft, zegt, ‘gefeliciteerd, je gaat door voor de magnetron!’.

Dat is zó niet grappig.

En zó vreselijk achterhaald.

Mijn werkgever heeft wel eens aan een volle tafel met artsen gezegd ‘ik ga even mijn prostaat uitlaten’. Er daalde een oorverdovende stilte neer. Terecht. Zelf was ik het liefst ter plekke opgelost.

Ook erg is: ik ga even kijken of ik nog een jongetje ben. Hoe vaak ik die al niet gehoord heb?

Idem dito als ik vroeger in de horeca fooi kreeg. ‘Voor de kinderwagen’. Kots.

Of als ik vroeg of iemand een glas bij zijn bier wilde. ‘Nee hoor, ik ben met de fles grootgebracht’.

Toen ik in een redelijk chique restaurant werkte was er eens in de zoveel tijd een ontzettende grapjas die wanneer ik de bestelling op kwam nemen een Big Mac bestelde. En dan moet je nog verplicht (glim)lachen ook. Ik had het liefst dan een mep met de menukaart gegeven. Maar dat mag niet van de politie.

Ook heel fout is als je aan iemand vraagt hoe het gaat en dat je dan als antwoord krijgt ‘met slechte mensen gaat het altijd goed’. Houd daarmee op. Geef gewoon antwoord.

Wat te denken van ‘kun je rekenen? Reken er maar niet op’.

Of ‘weet u hoe laat het is’ en dat je dan alleen een ‘ja’ krijgt als antwoord.

‘Wat ik wil drinken? Ehm. Mag ik iets fris?’ ‘Ja hoor, ik zet even het raam open’, is ook zo’n enige.

Vorige week stond ik bij Appie een behoorlijke zak met batterijen in een veel te klein gaatje in het inleverapparaat te proppen. Een man die aan kwam lopen, bemoeide zich ermee. ‘Scheur gewoon die zak af en laat het erin glijden joh’ zei hij. Ik vertelde hem dat ik dan waarschijnlijk op mijn knieën kon om alles op te rapen. ‘Nou daar zou ik geen problemen mee hebben hoor’ was zijn antwoord. Met nog net niet zo’n vieze vette knipoog. Ik had honderd antwoorden kunnen geven, variërend van ‘dat is denk ik lang geleden hè dat iemand voor jou op zijn knieën ging’ tot ‘viespeuk’ maar het enige dat ik zei was ‘haha’. Hij droop af.

Vlam zat mijn en Jills voorbeelden aan te horen en zei toen dat wanneer iemand zeiknat van de regen binnenkomt, hij standaard vraagt ‘ben je met de cabrio?’

Jill en ik zaten hem met open mond aan te kijken.

En het állerergste was nog, dat hij er zelf enorm om moest lachen. Mijn man. De liefde van mijn leven…

Zó geen zin soms.

Ik ben hier degene die vijf dagen in de week kookt. Van maan- tot en met vrijdag. Zaterdagen slooft Vlam zich meestal extra uit met een lekkere vis of een mooi stuk vlees en dito wijntje, zondag kookt hij iets simpelers. Meestal kip uit de oven met gebakken aardappelen. Ik ruk dan een bakje zelfgemaakte appelmoes uit de vriezer. Resultaat: een heel gelukkige Jill.

Maar die doordeweekse dagen hè? Daar wilde ik het over hebben met u.

Ik weet niet hoe bij u thuis de rolverdeling is en hoe u er in staat, maar de lust tot koken is mij in de afgelopen jaren behoorlijk vergaan, moet ik eerlijk zeggen. Ik vind er echt geen ene zak aan om na een dag te hebben gewerkt, nog “even” een eenvoudige doch voedzame maaltijd te maken. En dan heb ik nog mazzel dat ik maar tot 16 uur werk. Ik kan, als ik thuis kom, nog heel even tijd voor mezelf pakken. Ik moet er niet aan denken dat ik meteen de keuken in mag.

Het feest begint al in de supermarkt. Wat te kopen? Wat nou weer eens te verzinnen? Lasagne is teveel werk, boerenkool hebben we vorige week al gegeten, oud Hollands vind ik zelf niet zo bijzonder en man-oh-man wat heb je daar altijd veel afwas van. Pittig is Jill niet zo gek op. Vlam doe ik geen plezier met iets vegetarisch. Ik vind het met vlagen enorm lastig om elke week weer iets gevarieerds op het menu te zetten.

Meestal koop ik aanbiedingen, dan is er in ieder geval variatie. Soms kom je ineens op een idee ook.

Het stomste aan koken op doordeweekse avonden is, dat je er zo weinig lol van hebt. Boodschappen doen, boodschappen naar huis sjouwen, hakken, snijden, mixen, koken, tafel dekken, alles op tafel zetten en eten. Het gezin valt meestal als een roedel wolven aan op mijn kookkunsten. Vlam is meestal heel stil vanwege moe. Die eet zwijgzaam edoch gestaag door. Jill is sowieso een hele snelle eter. In tien tot vijftien minuten zijn de borden en pannen leeg en kun je het hele zwikkie weer terug brengen naar de keuken en afwassen.

Hoera.

En de volgende dag begint het hele ritueel weer opnieuw.

Ik houd in basis wel van koken hoor. Ik vind het leuk nieuwe dingen uit te proberen. Ik kan genieten van eten. Er is zoveel nog te ontdekken. De Thaise en Indonesische keuken heb ik mezelf al aardig eigen gemaakt. Marokkaans lukt me ook prima. Italiaans? Geen punt. Pas geleden heb ik voorzichtig de eerste stappen in de Vietnamese keuken gezet.
Bánh xèo. Klinkt ingewikkelder dan het is. Inmiddels heb ik het recept zelf aangepast en geperfectioneerd en is hij -al zeg ik het zelf- lekkerder dan bij de Vietnamees zelf.

Maar het is jammer dat de weken en de kooklust zo opgeslokt worden door werk en andere verplichte nummers.

Nóg een reden om die verdomde staats te winnen!

De overtreffende trap.

Nou dacht ik dat mijn werkgever met zijn kerstpakket de plank iets missloeg, met voor dertig euro producten die wij nooit eten -wat op zich ook een gave is om het zo uit te zoeken-, maar de werkgever van Jill, die heeft wat mij betreft gewonnen!

Jill werkt al bijna drie jaar bij de buurtsuper. Elke zondag van elf tot zes uur. Voor haar een geweldige baan want op zondagen verdient ze 200%. Elke week wordt haar salaris bijgeschreven, dus het wicht is inmiddels hartstikke rijk.

Om die reden houdt ze het vol daar.

Geld maakt in haar geval wél gelukkig.

Het liefste was ze namelijk allang gillend weggelopen.

Die buurtsuper is namelijk nogal van de -eh- bijzondere. Wij wonen middenin een volkswijk. Jill heeft klanten die op zo’n zondag wel vier keer komen. Omdat ze niks te doen hebben. Hun grootste omzet scoren ze met shag en sigaretten. Bijna alle klanten die daar komen, roken. En ze hebben een voorliefde voor halve liter blikken bier. En -no offence- het zijn over het algemeen ook niet de meest snuggere mensen die daar komen.

Onder Jills collega’s zit ook een aantal mensen met een verstandelijke beperking. Ze heeft één mannelijke collega die de eerste dag dat ze samenwerkten naar Jill toe kwam en haar bloedserieus vroeg of ze van verkleden hield. Hij was namelijk gek op verkleden. En staarten. Dat zei hij terwijl hij verlangend naar Jills haar keek.

Die collega heeft overigens de aankomende twee weken vrij omdat hij het principe Kerst niet kan handelen. Hij raakt er oververhit van en gilt dan door de zaak, tegen álle klanten, dat het nog zoveel en zoveel dagen tot de Kerst is. Niet bepaald vrede op aarde.

In ieder geval: Jill komt elke zondag terug met de meest prachtige verhalen.

Het is daar echt net een gesticht.

Haar werkgever heeft ze wat mij betreft ook niet allemaal op een rijtje.

Bijna al zijn personeel woont nog bij hun ouders. De rest woont in een beschermde woonvorm.

En dan laat je je mensen als kerstpakket op je eigen website voor dertig euro producten uitkiezen.

En dan ook nog eens uit de sectie “Kerstartikelen”.

Je kunt een puber natuurlijk niet blijer maken dan met een halve liter stroganoffsaus. Of een zalm en croûte.

Duh.

Die man snapt wat verwennen is.

Ik heb samen met Jill de mogelijkheden bekeken en drie entrecotes en drie ossenhaasjes besteld en Vlam heeft die dertig euro op haar rekening gestort.

Nu nog even iemand vinden die mij van mijn oliebollenmix en kant-en-klare Struik wortelsoep verlost.

Wie biedt?

aaccheh-awcdbajudgsqew-670x670
De foto’s alleen al zijn niet bepaald aantrekkelijk…

 

Hapto-vervolg.

Afgelopen vrijdag was ik voor de tweede keer bij Ineke, “mijn” haptotherapeut.

De eerste keer hebben we besproken waarvan ik dacht dat het de oorzaak was van mijn klachten.

Ik wijt mijn nek-en schouderklachten namelijk niet uitsluitend aan een slechte werkhouding, maar vooral aan het feit dat ik geestelijk overbelast ben op mijn werk. Mijn collega heeft al hele lange tijd issues in de privésfeer en is er vaak met haar hoofd niet bij. Feit is dat ze niet functioneert zoals ze zou moeten.

Ik zit om die reden met al mijn antennes uit. Scannend of het wel goed gaat, of ze de juiste dingen zegt, geen fouten maakt.

Voor mij, van nature een introvert persoon, een onveilige situatie, aldus Ineke. In plaats van me op mezelf te richten, sta ik de hele dag naar buiten gekeerd.

Volgens de leer van de haptonomie is dat een reden waardoor mijn cellen verkrampen, ik zelf dus ook verkramp en mijn “zijn”, mijn welbevinden, dat zich normaal ter hoogte van de buik bevindt, is naar boven gestegen. Mijn ruggengraat vanaf mijn middel tot aan mijn nek is zo stijf als een plank. Je schouders hangen daar ook aan vast. Gevolg: chronische pijn.

Na het eerste gesprek met Ineke ben ik meteen aan de slag gegaan.

Ik heb drie ochtenden lang met oortjes in gezeten. Terwijl ik de administratie deed, luisterde ik naar mantra’s. Ontspannend. Maar dat was niet de voornaamste reden. Ik sloot me vooral af voor dat wat er verderop gezegd en gedaan werd. Mijn collega is verantwoordelijk voor dat wat zij doet. Niet ik. Ik hoef niet alles op (letterlijk) mijn schouders te nemen. En maakt ze fouten, dan is zij daar aansprakelijk voor.

De tweede beslissing die ik maakte was haarzelf voortaan voor haarzelf op te laten komen. Ik hoef dat niet te doen. Zij is verantwoordelijk voor hoe mensen met haar omgaan en óf en hoe zij daar op reageert. Lukt dat niet dan moet ze zelf met een oplossing komen.

Vrijdag zat ik dus voor de tweede keer bij de haptotherapeut en ondanks dat ik een pittige week had gehad, lange dagen had gemaakt ook, had ik voor het eerst sinds weken geen pijn.

Ineke was trots op me dat ik meteen zo fanatiek was begonnen met werken aan mezelf. En net als ik verbluft over het resultaat op mijn lichaam.

Ze masseerde nog even de boel los.

Ik ga door met de oefeningen die ik kreeg van mijn manueel therapeut.

En over twee weken zien we elkaar nog een derde keer.

Als dat nodig is.

Ik hoop het niet. En ik denk het ook niet. Ik sta achter mijn beslissingen. Ik geef enorm veel om mijn collega, maar mijn eigen lijf en psyche zijn nét even belangrijker. Elke dag pijn is waardeloos, voor mijzelf in de eerste plaats. Maar daardoor mijn gezin belasten met mijn lage energielevel en mijn soms nukkige buien, is zeker niet de bedoeling.

Nou alleen nog even dat waardeloze schuldgevoel naar mijn collega toe een plekje zien te geven.

En hoe leg ik haar uit dat ik enorm om haar geef, haar niet laat vallen, maar dat ik wél meer afstand moet nemen? En dat alles zonder haar te kwetsen?