Nog niet veel te melden.

Ik heb weer een stapje terug moeten doen in de afgelopen week.

Ik werkte vier uur per dag. Dat bleek te enthousiast. Ik kwam met hoofdpijn thuis en moest als een heuse bejaarde bijslapen alvorens ik weer wat waard was. Op laste van stokslagen van de bedrijfsarts schroefde ik de boel noodgedwongen terug naar drie uur.

Dat leek goed te gaan. Tot afgelopen maandag. Ik kwam thuis na drie uur werken, maakte een ovenschotel, ruimde wat op en deed daarna keurig netjes mijn slaapje. Tegen vijven kwam mijn schoonmoeder om mee te eten en toen ze wegging, zo acht uur, knalde mijn kop bijkans uit elkaar. Uiteraard had het hele orkest zich ook weer verzameld onder mijn schedel en gooide er een heftige symfonie uit. Vooral de klarinet deed lekker zijn best.

Ik deed geen oog dicht, het was veel te onrustig in mijn hoofd.

Ik verkaste wederom naar de bank alwaar Misty me meteen besprong. ‘Há gezellig! Mijn sleepy is er weer’…

’s Morgens was ik een huilend hoopje niks en meldde me ziek.

Door de pijn en de onrust en wat voor mij voelde als een enorme nederlaag, was ik zo van slag, dat ik mijn heil zocht bij iets kalmerends. Ik nestelde me op de bank met Iron Man, thee en poes en maakte er maar het beste van.

Vlam belde me einde van de ochtend en stelde voor zelf met Peter te gaan praten. Ik liep de afgelopen weken rond met nogal wat frustraties aangaande hem (ik noem een niet-informeren naar hoe mijn gesprek met de bedrijfsarts geweest was) en ben sowieso de laatste tijd echt te labiel om gesprekken aan te gaan. Ik jank om niks en voel me enorm snel aangevallen.

Dat bleek een gouden greep. Peter vond het fijn zijn verhaal kwijt te kunnen en lijkt nu beter te snappen hoe ik ben. Altijd maar doorgaan. Lachen. Grapjes maken. Doen alsof het prima gaat. Maar ondertussen…

De volgende dag hebben wij samen ook een goed gesprek gehad, kreeg ik tot twee keer toe een dikke knuffel en hebben we beslist dat ik terugga naar twee uur per dag. Want Peter stelde: het is maar werk. Het is niet de bedoeling dat je na je werk thuis komt en niks meer kunt. Je moet energie overhouden om leuke dingen te doen. En we moeten zien te voorkomen dat je restschade overhoudt.

En dus werkte ik de afgelopen dagen braafjes twee uur.

De week van 18 december zijn we gesloten.

De week daarna hoef ik (vanwege Kerst) alleen woens- en donderdag te werken.

En de week dáárna zijn we weer dicht.

Maandag 8 januari gaan we weer beginnen en die week heb ik ook een afspraak met de neuroloog.

Ik kabbel 2017 dus wel door. En in het nieuwe jaar zien we wel weer.

Oh! En óók een hele geruststelling: de accreditatie van de praktijk, waar wij aan begonnen waren maar die al tig keer door mijn ziekte is uitgesteld, is op de lange baan geschoven. We hebben tot twee jaar (!) uitstel gekregen.

Alleen dat al gaf instant rust in mijn hoofd.

Mijn uitzicht voor de komende weken. Geef toe: het kan slechter 😉

 

En zo tobben we voort…

Ik ben er na vijftien (!) weken “ziek zijn” nog steeds niet aan gewend. Aan mijn nieuwe status als patiënt zijnde. Ik heb er enorme moeite mee om steeds maar weer te moeten wikken en wegen en keuzes te moeten maken.

Gisteren was weer zo’n dag.

Ik heb drie uurtjes gewerkt, waarvan ik een half uur bij de manueel therapeut op de bank lag. En een uur lang een longfunctieonderzoek afnam. Amper computerwerk dus. Ik ben begonnen om twaalf uur en was kwart over drie ’s middags weer thuis. Vlam heeft me zowel gebracht, als gehaald. Tussen half vier en kwart voor vijf lag ik gestrekt op bed. Ik heb een half uur geslapen. Van vijf tot half zeven ben ik naar een verjaardag geweest. Toen zijn we doorgegaan naar Jills school, voor een mentorgesprek. Om kwart voor tien ging ik naar bed.

GESLOOPT.

Met suizende oren, een piepend hoofd en behoorlijke hoofdpijn.

Ik kwakte er een tramadol in en nam drie druppels THC. Niks half werk.

Ik was echt meer dan klaar voor een lekkere lange nacht.

Mijn vliezen beslisten echter anders.

Om één uur was ik nog klaarwakker en verkaste ik van ellende naar de bank. Het leek wel alsof mijn hoofd overliep. Alles zat te vol en te strak. Alles gonsde en knetterde en tintelde.

Ik jankte van pure zelfmedelijden de ogen uit mijn kop en viel uiteindelijk in slaap. Voor een paar uurtjes. Want Misty vond het nodig midden in de nacht als een debiel rondjes te gaan rennen door de woonkamer. Onder luid gemiauw.

Vanmorgen was ik gebroken.

En zo’n K nacht is niet bevorderlijk voor de vliezen, kan ik u zeggen. (Noch voor de wallen en de oogleden. Ik zíé eruit vandaag. Om te janken. Oh nee. Laat ik dat maar niet doen).

Ik had het er gisteren nog met Vlam over. Tuurlijk was het weer teveel. Maar waar de hel had ik moeten strepen dan? Had ik niet mee moeten gaan naar school? Had ik mijn vriendin moeten afbellen? Nóg minder moeten werken? Sorry Peter, ik ga een uurtje eerder naar huis want ik heb een verjaardag straks. Hij ziet me aankomen. Ik zie mezelf aankomen.

Ik weet het niet hoor.

En ik vind het echt verdomde moeilijk om elke dag weer van te voren te moeten verzinnen wat ik denk aan te kunnen.

En waar ik ook verschrikkelijk moe van word, nu ik toch een rondje aan het zeiken ben, is mijn over-emotionele aard van de laatste tijd. Ik schiet van alles vol. Gisteren ook weer. De mentor vertelde dat Jill begin van het schooljaar even een moeilijke start had gehad omdat ze zich zo’n zorgen om mij had gemaakt. Het was duidelijk merkbaar geweest op school dat ze van slag was. Ik heb met de grootste moeite mijn tranen weg zitten slikken. In de auto kwamen ze. En in bed kwamen ze nog een keer. En nu ik er weer aan denk, zitten ze wéér hoog.

Ik mis de oude mij.

Bron: Pixabay