Mohammed en de berg.

Wij hebben op de praktijk een vrij soepel beleid.

Als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan.

Echter; ik ben dan Mohammed.

En geen gekke Gerritje.

Ik vind het jammer dat heel veel mensen met ons als huisartsenpraktijk zo soepel (lees: laks) omgaan. Niet naar ons kunnen komen omdat ze anders de regiotaxi moeten nemen en dat kost geld, maar er geen enkel probleem mee hebben om diezelfde taxi wel te bellen als ze naar de kapper of de bingo willen. En even voor de goede orde: wij krijgen nul komma nul voor een visite, dat u dat even weet. Wij ontvangen elk kwartaal een x bedrag voor elke patient. Ongeacht of iemand wel of niet komt. Dat bedrag is overigens gebaseerd op vier bezoeken aan je huisarts per jaar. Wij zitten in een achterstandswijk. Bij ons komen mensen soms wel vier keer per week.

Ik heb een aantal slecht ter been zijnde, oudere patiënten dat ons gewoon misbruikt.

Die ik dus overal tegenkom in een scootmobiel, betrap in de supermarkt en die me lachend inhalen als ik op de fiets ben. Maar als ik ze vraag even langs te komen om de suiker te controleren, ineens niet mobiel zeggen te zijn.

Right.

Komt iemand bij mij op de praktijk prikken en meten, dan ben ik in vijf minuutjes klaar. Moet ik datzelfde doen bij iemand thuis, dan ben ik -hangt er ook vanaf hoe ver iemand weg woont- zeker een half uur mee kwijt. Meestal is het meer. En als dan blijkt dat iemand best even naar ons had kunnen komen, dan baal ik daarvan. Alsof ik niets anders te doen heb? Ik vind huisbezoeken afleggen zalig hoor, niks zo lekker als even naar buiten kunnen en de semi-vrijheid te proeven. Maar dan moet het wel geoorloofd zijn. Want ik hoef me namelijk niet echt te vervelen op mijn werk.

Nu met de griepprikken was het helemaal feest. Hoeveel mensen er niet thuis waren toen ik met de spuit op de stoep stond? En waag het niet er wat van te zeggen, want dat krijg je nog een beledigd hoofd ook.

En ook zoiets raars: moeten die mensen naar een specialist in het ziekenhuis toe, dan kan het ineens -wonder oh wonder- wel. Want er is natuurlijk geen cardioloog of orthopeed die huisbezoeken aflegt. Dus dan wordt ineens wel de portemonnee getrokken of de buurvrouw geronseld als taxichauffeuse.

Maar van de huisarts verwachten ze wel dat die alles aan huis komt doen.

Tot en met dopplers (vaatonderzoek aan armen en benen) aan toe. ‘Gewoon op de keukentafel toch Klivia? Dat kan toch wel? Tuurlijk. Ik geef u wel even een pootje’.

De volgende stap is dat ik uitstrijkjes in eigen bed ga verrichten.

Ben het “iets” zat…

Raar is dat.

Ik lag daar op mijn rug met mijn herstellende lijf naar het plafond te staren en wilde echt heel erg graag weer werken.

Het leek me zalig om weer aan de slag te kunnen.

En nou ben ik weer aan de arbeid en nou zou ik een moord doen om thuis te kunnen blijven.

Mijn werk an sich is top. Ik houd van de afwisseling tussen onder de mensch zijn en de werkzaamheden op mijn computer. Ben ik het één zat, dan ga ik het ander doen. En het allermooiste aan mijn werk is: er is niemand die zegt hoe en wanneer ik wat moet doen. Peter laat me volledig vrij. Hij checkt me niet, kijkt nooit over mijn schouder mee. Als aan het einde van de rit alle mensen maar gecontroleerd zijn en het geld binnen geharkt is, hoor je hem niet.

Nog een gigantisch voordeel aan mijn werk is dat ik ongeveer acht à negen weken per jaar vrij ben. Doorbetaald. Peter neemt graag extra vakantiedagen op. Hij vrij = wij vrij. We kunnen ook niets doen als hij er niet is. Ik mag bijvoorbeeld geen medische handelingen uitvoeren zonder arts in de zaal.

Maar er zijn ook plenty nadelen en die zijn de afgelopen weken, toen ik weer langzaam aan aan het werk ging, weer heel duidelijk geworden.

Peter en Laura hebben vaak mot. Hij is bijzonder kritisch naar haar toe en uit dat op een nare manier met veel stemverheffing en zaken verdraaien. En zij is niet assertief genoeg om een weerwoord te bieden. In het verleden heeft hij ook mij geprobeerd te intimideren. Is niet gelukt. Ik bijt van me af of -in het ergste geval, is in de afgelopen twaalf jaar dat ik voor hem werk, is dat vier keer gebeurd- pak ik gewoon mijn spullen en ga naar huis. We gaan op een normale respectvolle manier met elkaar om, of anders niet. Ik ben geen voetveeg.

Ik kan niet zo goed tegen die spanning tussen die twee. En nu -zo herstellende- al helemaal niet. Heel simpel: ik heb het al druk genoeg met mezelf en kan Epie en Lepsie er gewoon niet bij hebben.

Ik heb ook geen zin meer om heel actief voor Laura op te komen. Het is ook háár probleem dat ze na al die jaren nog steeds niet voor zichzelf opkomt. Al mijn driehonderdvierentachtig suggesties om eens een cursus assertiviteit te gaan volgen, worden, zijn vruchteloos gebleven.

En al mijn gesprekken met Peter leiden tot een paar dagen rust in de tent maar meer ook niet.

Ik ben er klaar mee.

En het is zelfs zó erg, dat ik er momenteel serieus over nadenk om ermee te kappen. Ik zou nog niet weten wat ik dan wél wil, maar ik weet één ding zeker: deze onrust en negativiteit wil ik niet meer.

Weet iemand toevallig of ze ergens nog een leuke, vlotte, representatieve, lieve, hardwerkende, initiatiefnemende praktijkondersteuner zoeken?

Hoeft niet per se in de regio Randstad te zijn.

Op een Polynesisch eiland is ook prima wat mij betreft.

Bizarre puinhoop.

Gisteren om half 12 kwam Vlam me ophalen om me naar mijn werk te brengen. Iets aan de vroege kant, maar ik wilde nog even gedag zeggen en mijn verhaal vertellen aan de fysio’s die bij ons in het gebouw ook een praktijk hebben en met wie ik na 12 jaar een hele fijne band heb.

Ik was nog niet terug uit het ziekenhuis en hun bloemen werden thuisbezorgd. Lief!

Één van de secretaresses heeft me de afgelopen weken zo vaak geappt, die wilde ik als eerste even spreken. En bedanken voor de ontzettend gewaardeerde aandacht.

Daarna zette ik me schrap.

Ik was bloednerveus joh. Mijn handen en stem trilden. Ik wilde aan de ene kant heel graag werken, maar aan de andere kant zijn er dingen gebeurd die me ernstig hebben teleurgesteld. (Ik noem een mail van mijn werkgever 36 uur na mijn bloodpatch of ik dat weekend wat klusjes voor hem wilde doen op de praktijk). Ik was bang voor de confrontatie. Of hij me wel serieus zou nemen. Of we wel in goeie harmonie afspraken zouden kunnen gaan maken over mijn terugkeer.

Peter omhelsde me twee keer en zei heel blij te zijn dat ik er weer was. Hij vroeg me hoe ik het wilde. Wat ik aankon. Hoe ik het zelf bedacht had. Hij drukte me meerdere malen op mijn hart dat ik degene was die aangaf wat ik kon en wilde. ‘Jij bepaalt Klief. Je hebt gezegd dat je tot 4 uur wilde proberen, maar is de koek om 2 uur op, óók goed. Dan ga je lekker naar huis. De neuroloog heeft me nog gebeld en hij had nog nooit zoiets gezien; je vliezen waren helemaal aan elkaar gekleefd!’ (Ik denk dat hij tóén pas inzag dat het serieus was…)

Laura was enkele dagen daarvoor bij mij thuis geweest dus ik was wat haar betreft op de hoogte. Ik kreeg een knuffel. ‘Fijn dat je er weer bent collegaat, ik heb je gemist’.

De praktijk was een chaos.

Overal lagen ongeopende enveloppen.

Mijn behandelbank stond vol met dozen, met mappen en paperassen.

Mijn bureau was een Mount Everest van papier.

Mijn mailbox stroomde over.

De elektronische specialistenbrieven van 4 weken zaten nog onverwerkt in de postbus.

De bloeddrukmeter was kapot.

Het binnenwerk van de fax ook. (Een nieuwe rol erin sláán werkt niet. Gaat iets er niet op een rustige manier in, dan doe je iets niet goed. Ik kan het blijven uitleggen).

Diverse aanvraagformulieren waren op.

Er lagen nog drie urinepotjes.

Epi en Lepsie hebben echt totale paniek ervaren geloof ik. Ze hebben niets anders gedaan dan hun eigen taken en meer ook niet.

Ik ben gisteren dan ook zomaar ergens begonnen. Ik heb diverse bedrijven gebeld om de aanvraagformulieren weer aan te vullen. Ik bestelde een nieuw onderdeel voor de fax. Op de website van het ziekenhuis regelde ik urinepotjes en swabs. Ik deed de vuile was in een vuilniszak. Depte de koffievlekken van het dressoir. Verschoonde de vuilniszakken. Gooide kilo’s aan papier weg.

En toen was het drie uur later en bonkte mijn hoofd. Mijn vliezen pulseerden en mijn nek en rug deden zeer. Kláár!

En nu ben ik weer fris en fruitig en klaar voor de strijd. Vlam haalt me straks weer op voor de tweede ronde.

En weer eentje minder…

In 2004 ben ik begonnen in de gezondheidszorg.

Eerst als doktersassistente. Maar daar had ik snel genoeg van. Ik zat voornamelijk aan de telefoon en dat is niet bepaald mijn hobby. Ik word bloednerveus van bellen.

Ik ging weer terug de schoolbanken in en werd praktijkondersteuner.

Goeie keuze: ik voel me als een vis in het water in deze functie.

Ik zorg onder andere voor de chronische patiënt. Mensen met diabetes, COPD, hoge bloeddruk. Kortom: mensen die medicatie gebruiken en onder toezicht dienen te blijven. Natuurlijk is het geweldig als de cijfertjes goed zijn (want we staan onder controle van een zorggeroep die op zijn beurt weer communiceert naar de zorgverzekeraars ) maar minstens zo belangrijk is het dat mensen zich lekker voelen. Dat ze “graag” naar ons toe komen en zich veilig voelen zodat ze ook alles durven te vragen.

Als mensen slecht ter been of tijdelijk uit de roulatie zijn vanwege een operatie of zo en Mohammed niet meer naar de berg kan komen, gaat deze berg naar Mohammed. Met andere woorden: ik bezoek ook mensen thuis.

De mensen zelf vinden dat prettig want ik blijf altijd hangen voor een praatje. Mijn werkgever juicht dat van harte toe. We hebben een praktijk die Goddank heel sociaal is. Ik kom bij mensen die soms een hele dag niet praten. Waar alleen in het weekend bezoek komt. De dagen zijn voor veel mensen eindeloos. En ze worden heel blij van even iemand die hun verhaal aanhoort. Die een kopje koffie met ze drinkt. Waar ze even hun hart bij kunnen luchten. Soms help ik ook met kleine dingetjes die ze zelf niet kunnen. Zoals de batterij van een rookmelder vervangen, of even een verpakking pillen doormidden breken. Of ik smeer beschuitjes en zet koffie. Pleeg onderhoud aan hun orchideeën.

Zelf vind ik die huisbezoeken ook heel fijn. Het is bijzonder als je zo close met mensen wordt. Als ze zich openstellen voor je. Als je ze kunt laten gieren van het lachen. Of ze even vastpakt en in je nek laat snotteren.

Één van mijn patiënten die ik al bijna twaalf jaar ken en op wie ik erg gesteld ben geraakt, een man die altijd gewoon naar de praktijk toe kon komen, bezocht ik vlak voor de zomervakantie enkele keren thuis. Hij is een paar jaar geleden geopereerd aan een melanoom op zijn arm. Maar zijn grootste angst is waar geworden: uitzaaiingen. In zijn hersenen. Einde oefening.

Ik bezocht Jan de de week voor mij zomervakantie nog een laatste keer. In het hospice.

Hij lag in zijn bed en ik liep zijn kamer binnen. Ik tikte hem op zijn schouder. Hij deed zijn ogen open en was heel blij me te zien. Een grijns van oor tot oor. Ik ging naast hem zitten en pakte zijn hand. En hij aaide over de mijne. ‘Zijn ze een beetje lief voor je?’ vroeg ik hem.

Jan knikte beamend. ‘Volgens mij heten ze allemaal Klivia’

Ik moest een traantje wegpinken.

Hij ook.

Een week later was hij overleden.

Ik heb even ongegeneerd lekker onprofessioneel zitten janken aan mijn bureau toen ik het hoorde.

Sommige mensen gaan diep.

Jawel, het is weer zover.

Over enkele weken is het zomervakantie voor ons en zoals elk jaar is mijn werkgever zwaar aan het stranden in het zicht van de haven en is hij werkelijk niet te genieten.

Nou is het de laatste weken ook extreem druk. We namen waar voor twee andere praktijken en dat is naast ons gewone werk, niet te doen. De spreekuren zitten bomvol en -wat we normaal doen- een paar plekjes vrij houden voor spoedzaken, lukt nu dus niet. Dus áls je iets tussendoor krijgt, kun je geen kant meer op.

Onze eigen patiënten zijn keurig opgevoed. Die weten dat wij not amused zijn als ze over de spoedlijn gaan bellen omdat ze hun medicatie zijn vergeten te bestellen. Onze eigen patiënten halen het niet in hun hoofd om om half vier nog “even” langs te willen komen omdat ze eigenlijk al vanaf ’s morgens vroeg een blaasontsteking hebben. Die komen gewoon in de ochtend. Die van andere praktijken niet. Die kennen onze regels en voorkeuren niet. En ze proberen ons uit.

Peter is aan het einde van zijn Latijn en reageert het zoals gewoonlijk af op ons.

Vooral Laura moet het ontgelden. Die is een stuk minder mondig dan ik en dus een gemakkelijk doelwit. Bij mij denkt Peter wel drie keer na voor hij slakken op zout gaat leggen.

Vanmorgen was hij één en ander zó zat, dat hij even vergat dat hij niet met mij moet fucken.

Ik vroeg hem of hij de schone was mee wilde nemen. Onze handdoeken waren op. Volgens zijn vrouw stond er al een week naast de voordeur een tas met schone spullen. Hij liep er steeds gewoon langs.

En ja hoor. Daar kwam ie: de sneer.

‘Mijn vorige assistente nam de was altijd mee naar huis. Jullie zorgen voor extra belasting, nu moeten wij het doen’.

Ik ontplofte intern. Deze lulkoek heb ik namelijk al een aantal keer gehoord in de afgelopen twaalf jaar.

‘Ga je nou weer lopen zeiken over de was? Dat is jullie pakkie an. Ik weiger die was te doen. Het is jouw praktijk. Niet de mijne’.

Peter keek me link aan en liep weg.

Wóést was ik. Ik heb de afgelopen weken aardig lopen incasseren en dit was de druppel. We hebben ons werkelijk de schompes gewerkt en dan ga je moedwillig de sfeer lopen verzieken? Ik weet inmiddels hoe het gaat. Dat worden héle lange weken tot aan de vakantie. Weken van tandvlees lopen. En daar had ik geen zin in.

Ik mailde Peter en vroeg hem waar ik die sneer aan verdiend had? En ik vroeg hem of die assistente die de was altijd deed dezelfde was als die dame die zich te pas en te onpas ziek meldde wegens hoofdpijn? Of we het hadden over de assistente die op de praktijk haar nagels lakte en haar hond meenam? Of het die vrouw was die toen ik op de praktijk kwam een inbouwkast vol met dossiers en niet in het systeem gebrachte specialistenbrieven bleek te hebben gehamsterd? Waar ik járen mee bezig geweest ben om op te verwerken?

Ik klikte op enter en ging visites doen.

Ik verwachtte ruzie toen ik weer terug kwam op het nest. Ik was er klaar voor en sleep mijn messen al.

Peter was echter poeslief. Króóp bijna. Wenste me een goed weekend en maakte grapjes.

Ik geloof dat de boodschap aangekomen is.