Jawel, het is weer zover.

Over enkele weken is het zomervakantie voor ons en zoals elk jaar is mijn werkgever zwaar aan het stranden in het zicht van de haven en is hij werkelijk niet te genieten.

Nou is het de laatste weken ook extreem druk. We namen waar voor twee andere praktijken en dat is naast ons gewone werk, niet te doen. De spreekuren zitten bomvol en -wat we normaal doen- een paar plekjes vrij houden voor spoedzaken, lukt nu dus niet. Dus áls je iets tussendoor krijgt, kun je geen kant meer op.

Onze eigen patiënten zijn keurig opgevoed. Die weten dat wij not amused zijn als ze over de spoedlijn gaan bellen omdat ze hun medicatie zijn vergeten te bestellen. Onze eigen patiënten halen het niet in hun hoofd om om half vier nog “even” langs te willen komen omdat ze eigenlijk al vanaf ’s morgens vroeg een blaasontsteking hebben. Die komen gewoon in de ochtend. Die van andere praktijken niet. Die kennen onze regels en voorkeuren niet. En ze proberen ons uit.

Peter is aan het einde van zijn Latijn en reageert het zoals gewoonlijk af op ons.

Vooral Laura moet het ontgelden. Die is een stuk minder mondig dan ik en dus een gemakkelijk doelwit. Bij mij denkt Peter wel drie keer na voor hij slakken op zout gaat leggen.

Vanmorgen was hij één en ander zó zat, dat hij even vergat dat hij niet met mij moet fucken.

Ik vroeg hem of hij de schone was mee wilde nemen. Onze handdoeken waren op. Volgens zijn vrouw stond er al een week naast de voordeur een tas met schone spullen. Hij liep er steeds gewoon langs.

En ja hoor. Daar kwam ie: de sneer.

‘Mijn vorige assistente nam de was altijd mee naar huis. Jullie zorgen voor extra belasting, nu moeten wij het doen’.

Ik ontplofte intern. Deze lulkoek heb ik namelijk al een aantal keer gehoord in de afgelopen twaalf jaar.

‘Ga je nou weer lopen zeiken over de was? Dat is jullie pakkie an. Ik weiger die was te doen. Het is jouw praktijk. Niet de mijne’.

Peter keek me link aan en liep weg.

Wóést was ik. Ik heb de afgelopen weken aardig lopen incasseren en dit was de druppel. We hebben ons werkelijk de schompes gewerkt en dan ga je moedwillig de sfeer lopen verzieken? Ik weet inmiddels hoe het gaat. Dat worden héle lange weken tot aan de vakantie. Weken van tandvlees lopen. En daar had ik geen zin in.

Ik mailde Peter en vroeg hem waar ik die sneer aan verdiend had? En ik vroeg hem of die assistente die de was altijd deed dezelfde was als die dame die zich te pas en te onpas ziek meldde wegens hoofdpijn? Of we het hadden over de assistente die op de praktijk haar nagels lakte en haar hond meenam? Of het die vrouw was die toen ik op de praktijk kwam een inbouwkast vol met dossiers en niet in het systeem gebrachte specialistenbrieven bleek te hebben gehamsterd? Waar ik járen mee bezig geweest ben om op te verwerken?

Ik klikte op enter en ging visites doen.

Ik verwachtte ruzie toen ik weer terug kwam op het nest. Ik was er klaar voor en sleep mijn messen al.

Peter was echter poeslief. Króóp bijna. Wenste me een goed weekend en maakte grapjes.

Ik geloof dat de boodschap aangekomen is.

Touché zeikerd!

Wij hebben over het algemeen in onze praktijk te maken met lieve mensen. Heel soms zit er een zeikerd tussen, maar doorgaans valt het reuze mee.

Nemen we waar voor andere artsen die op vakantie zijn bijvoorbeeld, dan is het andere koek.

Die kennen ons niet en hebben veelal nul begrip voor de enorme werkdruk die wij bijna dagelijks wel ervaren. We zitten namelijk middenin een achterstandswijk en waar de gemiddelde mens vier keer per jaar naar zijn huisarts gaat, zitten onze patiënten soms drie keer in de week in de wachtkamer. De mensen die in onze praktijk zitten, zijn vaak ook nog eens types die extra tijd opslokken wegens niet begrijpen of allerhande sociaal-emotionele problematiek.

Kortom: rustige dagen komen zelden voor.

Zeker nu niet, twee andere huisartsen zijn op vakantie en in theorie betekent dat dat wij twee keer één derde van hun patiëntenpopulatie erbij krijgen.

En ze overspoelen ons.

Vanmorgen stond er zo’n zeikbek aan de balie. Komt op negen uur met een stront chagrijnig hoofd vragen (uiteraard zonder goedemorgen) ‘of het nog lang duurt?’

‘Waar heeft u het over?’ vroeg Laura haar.

‘Nou, ik heb om half tien een afspraak met de dokter en ik wil weten of hij uitloopt’…

Waarschijnlijk wel’ zei Laura, het is nogal druk zoals u misschien opgemerkt hebt?

En ja: het liep uit. Tuurlijk.

Tussen de bedrijven door vroeg ik Peter namelijk om “even” de echtgenote van een man met een in zijn hersenen uitgezaaide melanoom terug te bellen. Ze was redelijk in paniek. Zijn gedrag was weer vreemd, hij begreep niks meer. Kon de trap niet meer op. Kortom: foute boel.

Komt die zeikdoos om kwart voor tien wéér aan de balie. ‘Of de dokter koffie aan het drinken was want ze had ‘m al een poosje niet meer de wachtkamer in zien komen…’

Laura gilde naar Peter, die in mijn kamer was en mij op de hoogte stelde van zijn telefoongesprek, ‘Dokter, er vraagt hier iemand of je lekker even koffie hebt zitten drinken?’ Peter keek mij vragend aan. ‘Zeikerd op drie uur’ fluisterde ik.

‘Koffie? Nee joh, ik heb hier even liggen pitten op Klivia’s behandelbank’ reageerde bij heerlijk ad rem.

Ze droop af.

Terecht.

Wat is dat toch met sommige mensen?

De gezondheidszorg is pvd geen bank. We maken wel afspraken, maar het is nagenoeg onmogelijk om op tijd te werken. Het zijn richtlijnen, die tijden. Als ik iemand tegenover me heb zitten en ik vraag waarom de suiker zo hoog is. Stress? En zhij gaat huilen omdat net een tante overleden is, moet ik dan wijzen op de klok en zeggen ‘joh vervelend voor u, maar uw tijd is om. Wegwezen!’

Zo werkt het gewoon niet.

Ik heb laatst iemand echt een aardige veeg gegeven. Wachtkamer vol, Peter werd weggeroepen omdat een terminale patiënt heel veel pijn had. Hij verliet het pand via de artiesteningang en ik liep de wachtkamer binnen. ‘Sorry, vervelende mededeling, de dokter is weggeroepen voor een spoedgeval en blijft naar schatting een half uur weg’.

Bij één mevrouw was het gezucht en gekreun en gesteun niet van de lucht.

Ik liep naar haar toe en vroeg wat het probleem was. Ik legde uit dat het een stervende man betrof en dat wanneer zij ooit in zo’n positie zou komen, ze haar handjes mocht dichtknijpen met zo’n betrokken huisarts.

Zonder een antwoord af te wachten, liep ik weer terug naar mijn kamer.

Ik hoop dat het wat teweeg heeft gebracht in dat hersenpan van haar.

Je hébt van die dagen!

Gisteren was een vreselijke dag.

Het begon met een pittige discussie met een patiënte van ons. Iemand die arrogantie heeft uitgevonden. Nooit een lachje, altijd zeuren en zich benadeeld voelen. Je het gevoel geven alsof je één of ander insect bent. Als ze met mij (of mijn collega Laura) praat trekt ze altijd een gezicht alsof ze poep ruikt.

Kom ik haar in de stad tegen, dan doet ze net of ze me niet ziet. Ik heb haar -geen gein- wel eens achter een fiets zien wegduiken. Als de dood dat ik gedag tegen haar zei en zij het terug moest zeggen.

Brrrrr. Vriendelijkheid.

Al zou ik een dubbele flikflak doen met vuurwerk in mijn kont, dan nóg zou het niet goed zijn.

Gisteren dus ook weer niet.

Wat wil het geval?

Het ziekenhuis, waar ze vorige week bloed is gaan laten prikken, is haar buisjes ergens in het proces kwijtgeraakt. Er was geen uitslag te vinden. Ze kwam bij mij voor de resultaten maar wij hadden niets. Dus ik mailde en belde naar het ziekenhuis maar ze stond gewoon niet in het systeem.

Ik deelde haar dat mee.

Ze schoot vól de irritatie in. Ze beschuldigde me ervan dat ik suggereerde dat ze niet geweest was.

‘Ik trek uw verhaal niet in twijfel. Ik deel u alleen mee dat het ziekenhuis niets van u heeft. Uw bloed is daar blijkbaar kwijtgeraakt’.

Maar ze ging maar door en door en door.

Ik viel haar op een gegeven moment in de rede, vertelde dat ze haar klacht niet bij mij moest leggen, maar moest deponeren in het ziekenhuis. En ik duwde haar nog net niet de deur uit…

Raar wijf. Als je iets bij de Hema koopt dat je niet bevalt, ga je toch ook niet zeiken bij de Etos?

Toen ik haar de weggewerkt had, kwam zuurpruim nummer twee.

Die had één en ander verkeerd begrepen. Laura en ik doen elke morgen tussen acht en negen uur, zonder afspraak, kortdurende medische handelingen zoals het meten van bloeddrukken, hechtingen verwijderen en bloedsuikertjes prikken. Even melden aan de balie en op volgorde van binnenkomst word je dan geholpen. Meestal ben je zo aan de beurt, soms moet je heel even wachten.

Op dit moment nemen we waar voor twee andere praktijken dus is het extreem druk.

Die zure man kwam om acht uur, maar toen stond er al een bescheiden rij. Toen hij aan de beurt was, was het (mede dankzij mijn tijdslurpende botsing) half negen. Op mijn vrolijke “goeiemorgen” kwam een binnensmonds gemompel terug. Meneer was boos. Want hij had een afspraak om acht uur en ik was te laat. Ik legde hem fijntjes uit dat hij het zelf niet goed begrepen had, we maken namelijk geen vaste afspraken, het is ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. En ik voegde er aan toe dat ons stinkende best deden. Had hij niet gezien dat de wachtkamer bomvol zat?

Nul respons. Laat staan een ‘oh, dan heb ik het niet goed begrepen’ of iets van die strekking. Hij bleef mokken.

Toen hij weg was, checkte ik voor de zekerheid mijn menstruatieapp. Het zou zomaar kunnen dat het aan mij lag, ik ergerde me werkelijk kapot aan het gedrag van beide mensen.

Maar nee, niks aan de hand. Ik hoefde geen hand in eigen boezem te steken. Het lag echt aan hen.

Mijn verdwijnende verzorgbejaarde

Eens per twee weken ga ik een uurtje langs bij mevrouw Mast. Vijfennegentig is ze.

Een jaar geleden zag ze het allemaal niet meer zitten.

Eerst ging haar beste vriendin dood, die ze al kende vanaf haar twintigste.

Toen overleed haar zus aan de gevolgen van dementie en een opgebruikt lichaam.

Vervolgens gingen, naast haar ogen, ze ziet aan één kant niets meer en met het andere oog de helft nog, óók nog eens haar oren kuren vertonen. De dagen duren eindeloos als je bijna niets meer kunt zien en horen. Want wat moet je doen?

Ze werd steeds afhankelijker van de verpleging. Die te kampen heeft met een enorm verloop omdat de druk veel te hoog is en het voor mij als buitenstaander lijkt alsof het management wil dat iedereen met een burn-out thuis komt te zitten door steeds meer debiele regeltjes in te voeren. En steeds weer te sleutelen aan roosters. Pauzes eruit bezuinigen. De duimschroeven worden steeds verder aangedraaid.

Haar lievelingsverpleegster Joyce, die echt alles voor haar deed, zelfs in haar vrije tijd, is ook langdurig uitgeschakeld. Uitgewrongen. Voor mevrouw Mast een enorme klap. Ze mist Joyce gigantisch.

Het gebeurt zeer regelmatig dat mevrouw Mast tot elf uur in haar bed ligt te wachten tot er iemand tijd heeft voor haar om haar te wassen en in haar korset te hijsen. Dat ze nodig heeft omdat ze zonder, met haar wervelinzakkingen, niets kan. Totaal hulpeloos. In het donker. Want zelf even de gordijnen open doen kan ze niet.

Meestal spreek ik rond tienen met haar af. Het begint bijna normaal te zijn dat ze dan nog niet geholpen is. Hoe vaak ik haar niet in tranen aantref omdat ze nog geen tijd hadden voor haar? ‘En ik heb ze nog zó gevraagd of ze alsjeblieft vroeg wilden komen, omdat jij op visite komt…’

Mij kan het persoonlijk niets schelen als ze nog in bed ligt. Hoofdeinde overeind, koffie zetten, gordijnen open en dan gaat het prima. Maar ze schaamt zich, zo in haar pon, zonder bh. Ik snap dat ook wel.

De combinatie slechte zorg, totaal afhankelijk zijn van anderen , iedereen om haar heen die dood- en weggaat en haar lichaam dat steeds meer kuren gaat vertonen, maakt dat ze geen zin meer heeft.

‘Kliefje, ik ben het zat. Er is voor mij niets meer aan. Van mij mag het snel afgelopen zijn…’ hoe vaak ze dat niet zegt?

Een jaar geleden gaven we haar een antidepressivum, om haar wat beter te laten slapen en zich wat lekkerder te laten voelen. Dat werkte aardig. Ze huilde niet meer zoveel, kon weer grapjes maken, kreeg weer interesse in andere mensen.

Het effect duurde enkele maanden.

Nu is het uitgewerkt…

Ik zie haar langzaam oplossen. Het lijkt wel of ze transparant aan het worden is. Ze wordt sowieso magerder want niets smaakt haar meer. Maar ook haar sprankeling is aan het verdwijnen. Haar ogen worden steeds doffer.

Ik ben bang dat ik binnen niet al te korte tijd afscheid van haar moet nemen.

Mijn lieve mevrouw Mast. Ik hoop voor u dat het einde niet meer al te lang op zich laat wachten… Laat maar los. Het is goed zo.


Dit blog staat ook op HoeVrouwenDenken

Vergevingsgezind als ik ben…

Ik schreef een maand of wat geleden over een artsenbezoekster met een plaatstalen bord voor heur harses.

Via de spoedlijn bellen voor een afspraak. Te laat komen en geen excuus maken. Bellen met een andere praktijkondersteuner terwijl ze tegenover mij zat. Doordrammen bij mijn collega Laura dat ze per se een afspraak met mij wilde terwijl Laura toch duidelijk, als ware zij een langspeelplaat, meerdere malen gevraagd had mij te mailen. Omdat ik graag zelf mijn afspraken in plan.

Het bleef dus mooi bij dat ene bezoek. Een tweede afspraak die we hadden staan, mailde ik af wegens “te druk”. Toedeledoki!

Ineens -na een dik jaar- verscheen mevrouw Plaatstaal weer op het toneel. En via Peter speelde ze het zo, dat ze van hem met mij móést afspreken.

Ik twijfelde toen of ik iets moest zeggen van haar bijzondere gedrag of het zo moest laten. Want wat zou ik er mee opschieten? Meer insulinesoorten dan kerken tenslotte. Ik ben niet afhankelijk van haar firma.

Maar ik kon het toch niet laten en mailde netjes dat ik alle bovenstaande zaken bij elkaar opgeteld, niet de onbedwingbare behoefte had haar weer te ontmoeten. En of ze begreep -na mijn uitleg- dat ik niet stond te trappelen?

Ze mailde me terug en vroeg me of ik haar niet verwarde met iemand anders?

Right.

Alsof ik zomaar willekeurig iemand vals zou gaan beschuldigen. En daarbij: ik heb het geheugen van een olifant. En daarbij twee: ik had ergens in de krochten van mijn Outlook nog de mail waarin ik haar geschreven had dat bellen over de spoedlijn niet erg op prijs gesteld werd.

Nadat ik haar had laten weten dat zij het echt geweest was, kreeg ik excuses. Maar ik had haar “afgepoeierd” toen ze me een tweede keer wilde spreken. Het leek wel een kleuter. Als ik niet op jouw feestje mag komen, dan… ‘Als jij netjes een mail sturen met met uitleg geen tijd afpoeieren vindt, prima. Maar daarin verschillen we dan toch behoorlijk van mening’ mailde ik weer.

Ze wilde heel graag een tweede kans. Want ze herkende zich niet in het door mij beschreven gedrag.

Die kreeg ze. Vergevingsgezind als ik ben *kucht*

Om drie uur hadden we de afspraak en één voor drie kwam ze bijna aanrennen. ‘Ben ik op tijd of ben ik op tijd?’ vroeg ze. Met vlekken in haar nek en duidelijk erg nerveus.

Ik heette haar welkom en we namen plaats in mijn spreekkamer.

Halverwege het gesprek vertelde ze me dat ze de afgelopen week ziek thuis was geweest en dat ze nog niet helemaal opgeknapt was. Bronchitis. Kuurtje. Benauwd. Haar werkgever had gezegd dat ze nog maar een paar dagen moest uitzieken, maar dat had ze geweigerd. Ze wilde per se weer gaan werken omdat ze de afspraak met mij niet af had durven bellen…

Ik heb geloof ik een onuitwisbare indruk gemaakt :)