44!

Happy birthday to me. Happy birthday to me. Happy birthday dear me-he… Happy birthday to me.

Een heel klein taartje dan maar vandaag.

Voor een heel klein feestje.

Zo feestelijk voel ik me namelijk helaas niet de laatste tijd.

Je mag een wens doen toch? Als je in één keer alle kaarsjes uitblaast? Moet lukken met onderstaand exemplaar 😉

Ik ga voor gezonde, weer uit elkaar gefloepte, goed gehydrateerde en tot normale proporties geslonken hersenvliezen. (En daarmee zullen ook wel weer mijn levensvreugde, gezonde nachtrust, scherpe geest en gevoel voor humor terugkomen. Mag ik PVD hopen).

*pfffff*

Bron: Pixabay.com

Niks lief oud dametje!

Toen ik op de afdeling neurologie werd opgenomen, kreeg ik in eerste instantie een eenpersoonskamer, omdat ik van die enorme hoofdpijnen had.

MRI één, van mijn hoofd, vond plaats op vrijdag. Voor MRI twee, van mijn gehele wervelkolom, hadden ze maandag pas tijd. Ik vroeg dus of ik een nachtje naar huis mocht want zo spannend was het allemaal niet. Berg pijnstillers mee en lekker even een dagje “op verlof”.

Dat was akkoord.

Zondagavond moest ik me weer melden.

Braafjes deed ik dat.

Mijn eenpersoonskamer was inmiddels vergeven want er was iemand bijgekomen die er ernstiger aan toe was dan ik. Alle begrip.

‘Geen zorgen hoor’ zei de verpleegkundige. ‘Je ligt samen met een lief oud dametje’.

Lieve oude dametjes en ik zijn een goeie combi. Doorgaans houd ik van hen en zij van mij.

Maar dit was helegaar geen schatje. Dit oude hek was een secreet van de bovenste plank! Het enige dat je lief aan haar zou kunnen noemen is dat ze in elke zin ‘lieverd’ zei. Dat gaf misschien een geromantiseerd beeld van haar. Maar vérder! Man oh man.

Met van die felle donkere priemoogjes loerde ze de hele tijd over de rand van het dekbed. Niks ontging haar.

En niks was goed.

Kreeg ze eten dan was het haar allemaal te veel.

Kreeg ze niks, dan was ze al zo mager en moest ze echt meer hebben.

Ze heeft zoveel op de noodbel gedrukt, dat het rood eraf gesleten is.

Als iemand informeerde naar haar, kreeg diegene een énorme stortvloed aan ellende over zich heen. Geen orgaan of lichaamsdeel bleef onbesproken. Van voor naar achter, van links naar rechts. Hoofd, schouders, knie en teen. Knie en teen. Aangezien er nogal wat volk op zo’n zaal langskomt, kunt u zich voorstellen dat ik er -na de derde klaagzang-, met liefde nog een kleine verwonding bij had gemept?

En ’s nachts, als ze dacht dat niemand haar hoorde, lag ze urenlang achter haar gordijntjes mompelend een partij te vitten en snauwen op iedereen. Wij medezaalbewoners (inmiddels lagen we met zijn vieren) waren vuile rotwijven. Alle verpleegsters waren incompetente secreten. Niemand was aardig voor haar. En met name een mannelijke verpleger moest het ontgelden, die was op geen enkel front geschikt voor zijn werk.

En als ’s morgens de gordijnen weer open werden geschoven, kreeg de betreffende verpleegkundige een smile van oor tot oor. “Goedemorgen lieverd” zei oma dan stralend.

“Braak!” was wat ik dan dacht.

Vlam pakte op een gegeven moment een dropje.

“Zou ik niet doen lieverd” kwam er uit het bed aan de overkant. “Je zou wel eens wat mogen afvallen. Spinazie zou goed voor je zijn”.

“Is hij eigenlijk wel een beetje lief voor je lieverd?” vroeg ze aan mij. Terwijl ze Vlam argwanend aan keek vanachter dat dekbed. “Zegt ie wel eens midden op de dag tegen je dat hij van je houdt? En dus niet alleen om je het bed in te kletsen…”.

Toen ik weg mocht uit het ziekenhuis heb ik haar een hand gegeven en het allerbeste toegewenst.

In het kader van “baat het niet, dan schaadt het niet”.

Bron: Pixabay.com