Niks lief oud dametje!

Toen ik op de afdeling neurologie werd opgenomen, kreeg ik in eerste instantie een eenpersoonskamer, omdat ik van die enorme hoofdpijnen had.

MRI één, van mijn hoofd, vond plaats op vrijdag. Voor MRI twee, van mijn gehele wervelkolom, hadden ze maandag pas tijd. Ik vroeg dus of ik een nachtje naar huis mocht want zo spannend was het allemaal niet. Berg pijnstillers mee en lekker even een dagje “op verlof”.

Dat was akkoord.

Zondagavond moest ik me weer melden.

Braafjes deed ik dat.

Mijn eenpersoonskamer was inmiddels vergeven want er was iemand bijgekomen die er ernstiger aan toe was dan ik. Alle begrip.

‘Geen zorgen hoor’ zei de verpleegkundige. ‘Je ligt samen met een lief oud dametje’.

Lieve oude dametjes en ik zijn een goeie combi. Doorgaans houd ik van hen en zij van mij.

Maar dit was helegaar geen schatje. Dit oude hek was een secreet van de bovenste plank! Het enige dat je lief aan haar zou kunnen noemen is dat ze in elke zin ‘lieverd’ zei. Dat gaf misschien een geromantiseerd beeld van haar. Maar vérder! Man oh man.

Met van die felle donkere priemoogjes loerde ze de hele tijd over de rand van het dekbed. Niks ontging haar.

En niks was goed.

Kreeg ze eten dan was het haar allemaal te veel.

Kreeg ze niks, dan was ze al zo mager en moest ze echt meer hebben.

Ze heeft zoveel op de noodbel gedrukt, dat het rood eraf gesleten is.

Als iemand informeerde naar haar, kreeg diegene een énorme stortvloed aan ellende over zich heen. Geen orgaan of lichaamsdeel bleef onbesproken. Van voor naar achter, van links naar rechts. Hoofd, schouders, knie en teen. Knie en teen. Aangezien er nogal wat volk op zo’n zaal langskomt, kunt u zich voorstellen dat ik er -na de derde klaagzang-, met liefde nog een kleine verwonding bij had gemept?

En ’s nachts, als ze dacht dat niemand haar hoorde, lag ze urenlang achter haar gordijntjes mompelend een partij te vitten en snauwen op iedereen. Wij medezaalbewoners (inmiddels lagen we met zijn vieren) waren vuile rotwijven. Alle verpleegsters waren incompetente secreten. Niemand was aardig voor haar. En met name een mannelijke verpleger moest het ontgelden, die was op geen enkel front geschikt voor zijn werk.

En als ’s morgens de gordijnen weer open werden geschoven, kreeg de betreffende verpleegkundige een smile van oor tot oor. “Goedemorgen lieverd” zei oma dan stralend.

“Braak!” was wat ik dan dacht.

Vlam pakte op een gegeven moment een dropje.

“Zou ik niet doen lieverd” kwam er uit het bed aan de overkant. “Je zou wel eens wat mogen afvallen. Spinazie zou goed voor je zijn”.

“Is hij eigenlijk wel een beetje lief voor je lieverd?” vroeg ze aan mij. Terwijl ze Vlam argwanend aan keek vanachter dat dekbed. “Zegt ie wel eens midden op de dag tegen je dat hij van je houdt? En dus niet alleen om je het bed in te kletsen…”.

Toen ik weg mocht uit het ziekenhuis heb ik haar een hand gegeven en het allerbeste toegewenst.

In het kader van “baat het niet, dan schaadt het niet”.

Bron: Pixabay.com

Een eigen gecreëerd isolement.

Wij hebben een patiënt die behoorlijk van de obese is. Daardoor heeft hij suikerziekte gekregen én een torenhoge bloeddruk.

Deze man woont alleen, is alleen en heeft naar mijn weten ook nog nooit een partner gehad.

Hij heeft een nogal -eh- aparte lichaamsgeur. Iets tussen oud zweet en iets zurigs in. Hij heeft vlekken op zijn kleren. Sterker nog: hij heeft vlekken op zijn vlekken. Hardgeworden zacht. Zijn haar is te lang en je kunt er een kroketje in bakken. Zijn nagels zijn te lang en er zitten diverse ondefinieerbare zaken onder verscholen. En het allerergste, -de meest smerige geur die er bestaat wat mij betreft-, hij heeft ontstekingen in zijn tandvlees. Bij elke teug lucht die hij uitademt, krimp ik bijna in elkaar. Als hij weg is, spuit ik altijd deo in mijn kamer en zet ik het raam wagenwijd open.

Maar hij is ook heel slim en heeft een lekker droog gevoel voor humor. En langzaam, de poolcirkel smelt sneller, stelt hij zich open voor me. Ik heb het na járen proberen en stimuleren en mijn hoofd te hebben gestoten nu voor elkaar dat hij elk kwartaal op zijn brommertje van de andere kant van de stad naar mij toekomt. En we lachen samen. En toen hij twee kilo was afgevallen stond ik echt bijna te juichen voor hem. ‘Ik ben écht heel blij met dit resultaat joh’ zei ik. ‘Dat heb je super gedaan!’.

‘Jij hebt helemaal niets nodig om blij te zijn’ zei hij nogal bescheiden. ‘Nou, zeg dat maar tegen mijn man’ zei ik. En toen moesten we allebei heel hard lachen.

Volgende week komt hij bij me voor een Doppler. Een vaatonderzoek. Ik meet dan de druk op zes verschillende plaatsen. Onder andere vaten aan de voeten.

En dáár ben ik bang voor. Want als de rest al zo verwaarloosd is, hoe zouden die voeten er dan in vredesnaam uit zien? Ik houd mijn hart vast.

En dus heb ik hem maar gewoon eerlijk gevraagd te zorgen voor schone voeten. Ik legde uit dat hij me daar heel gelukkig mee zou maken. ‘En dan geen sokken aantrekken die je al vijf weken aanhebt hoor’, zei ik ook nog even. Met een dikke knipoog. Hij grijnsde. Gelukkig.

Ik vind het zo jammer dat hij zo geworden is. Zo beschadigd en zo alleen. Hij is terecht gekomen, verstrikt eigenlijk meer, in zijn eigen gecreëerde isolement.

Zou hij een mondhygiënist bezoeken en misschien een fijne psycholoog en elke dag even lekker onder de douche springen en zijn kleding zo nu en dan eens wassen, dan weet ik zeker dat er voor hem ook iemand kan zijn. Hij heeft echt veel om te geven namelijk. Maar nu houdt hij iedereen –ook letterlijk dus- op afstand.

Jammer dat ik zevenentachtig grenzen over zou gaan als ik dat tegen hem zou zeggen. Maar mán wat zou ik hem dat graag willen vertellen. Ik gun hem zo een leuker leven. Want dat verdient hij.

Je hébt van die dagen!

Gisteren was een vreselijke dag.

Het begon met een pittige discussie met een patiënte van ons. Iemand die arrogantie heeft uitgevonden. Nooit een lachje, altijd zeuren en zich benadeeld voelen. Je het gevoel geven alsof je één of ander insect bent. Als ze met mij (of mijn collega Laura) praat trekt ze altijd een gezicht alsof ze poep ruikt.

Kom ik haar in de stad tegen, dan doet ze net of ze me niet ziet. Ik heb haar -geen gein- wel eens achter een fiets zien wegduiken. Als de dood dat ik gedag tegen haar zei en zij het terug moest zeggen.

Brrrrr. Vriendelijkheid.

Al zou ik een dubbele flikflak doen met vuurwerk in mijn kont, dan nóg zou het niet goed zijn.

Gisteren dus ook weer niet.

Wat wil het geval?

Het ziekenhuis, waar ze vorige week bloed is gaan laten prikken, is haar buisjes ergens in het proces kwijtgeraakt. Er was geen uitslag te vinden. Ze kwam bij mij voor de resultaten maar wij hadden niets. Dus ik mailde en belde naar het ziekenhuis maar ze stond gewoon niet in het systeem.

Ik deelde haar dat mee.

Ze schoot vól de irritatie in. Ze beschuldigde me ervan dat ik suggereerde dat ze niet geweest was.

‘Ik trek uw verhaal niet in twijfel. Ik deel u alleen mee dat het ziekenhuis niets van u heeft. Uw bloed is daar blijkbaar kwijtgeraakt’.

Maar ze ging maar door en door en door.

Ik viel haar op een gegeven moment in de rede, vertelde dat ze haar klacht niet bij mij moest leggen, maar moest deponeren in het ziekenhuis. En ik duwde haar nog net niet de deur uit…

Raar wijf. Als je iets bij de Hema koopt dat je niet bevalt, ga je toch ook niet zeiken bij de Etos?

Toen ik haar de weggewerkt had, kwam zuurpruim nummer twee.

Die had één en ander verkeerd begrepen. Laura en ik doen elke morgen tussen acht en negen uur, zonder afspraak, kortdurende medische handelingen zoals het meten van bloeddrukken, hechtingen verwijderen en bloedsuikertjes prikken. Even melden aan de balie en op volgorde van binnenkomst word je dan geholpen. Meestal ben je zo aan de beurt, soms moet je heel even wachten.

Op dit moment nemen we waar voor twee andere praktijken dus is het extreem druk.

Die zure man kwam om acht uur, maar toen stond er al een bescheiden rij. Toen hij aan de beurt was, was het (mede dankzij mijn tijdslurpende botsing) half negen. Op mijn vrolijke “goeiemorgen” kwam een binnensmonds gemompel terug. Meneer was boos. Want hij had een afspraak om acht uur en ik was te laat. Ik legde hem fijntjes uit dat hij het zelf niet goed begrepen had, we maken namelijk geen vaste afspraken, het is ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. En ik voegde er aan toe dat ons stinkende best deden. Had hij niet gezien dat de wachtkamer bomvol zat?

Nul respons. Laat staan een ‘oh, dan heb ik het niet goed begrepen’ of iets van die strekking. Hij bleef mokken.

Toen hij weg was, checkte ik voor de zekerheid mijn menstruatieapp. Het zou zomaar kunnen dat het aan mij lag, ik ergerde me werkelijk kapot aan het gedrag van beide mensen.

Maar nee, niks aan de hand. Ik hoefde geen hand in eigen boezem te steken. Het lag echt aan hen.

Mijn verdwijnende verzorgbejaarde

Eens per twee weken ga ik een uurtje langs bij mevrouw Mast. Vijfennegentig is ze.

Een jaar geleden zag ze het allemaal niet meer zitten.

Eerst ging haar beste vriendin dood, die ze al kende vanaf haar twintigste.

Toen overleed haar zus aan de gevolgen van dementie en een opgebruikt lichaam.

Vervolgens gingen, naast haar ogen, ze ziet aan één kant niets meer en met het andere oog de helft nog, óók nog eens haar oren kuren vertonen. De dagen duren eindeloos als je bijna niets meer kunt zien en horen. Want wat moet je doen?

Ze werd steeds afhankelijker van de verpleging. Die te kampen heeft met een enorm verloop omdat de druk veel te hoog is en het voor mij als buitenstaander lijkt alsof het management wil dat iedereen met een burn-out thuis komt te zitten door steeds meer debiele regeltjes in te voeren. En steeds weer te sleutelen aan roosters. Pauzes eruit bezuinigen. De duimschroeven worden steeds verder aangedraaid.

Haar lievelingsverpleegster Joyce, die echt alles voor haar deed, zelfs in haar vrije tijd, is ook langdurig uitgeschakeld. Uitgewrongen. Voor mevrouw Mast een enorme klap. Ze mist Joyce gigantisch.

Het gebeurt zeer regelmatig dat mevrouw Mast tot elf uur in haar bed ligt te wachten tot er iemand tijd heeft voor haar om haar te wassen en in haar korset te hijsen. Dat ze nodig heeft omdat ze zonder, met haar wervelinzakkingen, niets kan. Totaal hulpeloos. In het donker. Want zelf even de gordijnen open doen kan ze niet.

Meestal spreek ik rond tienen met haar af. Het begint bijna normaal te zijn dat ze dan nog niet geholpen is. Hoe vaak ik haar niet in tranen aantref omdat ze nog geen tijd hadden voor haar? ‘En ik heb ze nog zó gevraagd of ze alsjeblieft vroeg wilden komen, omdat jij op visite komt…’

Mij kan het persoonlijk niets schelen als ze nog in bed ligt. Hoofdeinde overeind, koffie zetten, gordijnen open en dan gaat het prima. Maar ze schaamt zich, zo in haar pon, zonder bh. Ik snap dat ook wel.

De combinatie slechte zorg, totaal afhankelijk zijn van anderen , iedereen om haar heen die dood- en weggaat en haar lichaam dat steeds meer kuren gaat vertonen, maakt dat ze geen zin meer heeft.

‘Kliefje, ik ben het zat. Er is voor mij niets meer aan. Van mij mag het snel afgelopen zijn…’ hoe vaak ze dat niet zegt?

Een jaar geleden gaven we haar een antidepressivum, om haar wat beter te laten slapen en zich wat lekkerder te laten voelen. Dat werkte aardig. Ze huilde niet meer zoveel, kon weer grapjes maken, kreeg weer interesse in andere mensen.

Het effect duurde enkele maanden.

Nu is het uitgewerkt…

Ik zie haar langzaam oplossen. Het lijkt wel of ze transparant aan het worden is. Ze wordt sowieso magerder want niets smaakt haar meer. Maar ook haar sprankeling is aan het verdwijnen. Haar ogen worden steeds doffer.

Ik ben bang dat ik binnen niet al te korte tijd afscheid van haar moet nemen.

Mijn lieve mevrouw Mast. Ik hoop voor u dat het einde niet meer al te lang op zich laat wachten… Laat maar los. Het is goed zo.


Dit blog staat ook op HoeVrouwenDenken

Plogje 19

Even tijd voor wat beelden, al dat gezeik van de afgelopen week gaat u misschien wel vervelen? 😉

20160927_183706
Gekregen van één van de liefste patiënten die we hebben. Dank je wel Hans!

 

20160928_072700
Hierop zou de doodstraf gegeven moeten worden. Of op zijn minst 500 stokslagen.

 

20160923_093244
Eindelijk mijn hersenen beschermd tegen al die schadelijke straling die we hier in de Randstad hebben… Hoop dat het niet te laat is.

 

20160922_130430
Mijn nicht en ik deden een klein lunchje. Was lang geleden dat ik zó lekker buiten de deur at. *zucht*

 

naamloos
Ik ging vreemd en volgde een nascholing bij de assistentes. Een keertje geen COPD, dacht ik. Leuk. Ik had wel zin in foto’s van schuimende mutsen. Maar hij was saai. Jammer!