Je hébt van die dagen!

Gisteren was een vreselijke dag.

Het begon met een pittige discussie met een patiënte van ons. Iemand die arrogantie heeft uitgevonden. Nooit een lachje, altijd zeuren en zich benadeeld voelen. Je het gevoel geven alsof je één of ander insect bent. Als ze met mij (of mijn collega Laura) praat trekt ze altijd een gezicht alsof ze poep ruikt.

Kom ik haar in de stad tegen, dan doet ze net of ze me niet ziet. Ik heb haar -geen gein- wel eens achter een fiets zien wegduiken. Als de dood dat ik gedag tegen haar zei en zij het terug moest zeggen.

Brrrrr. Vriendelijkheid.

Al zou ik een dubbele flikflak doen met vuurwerk in mijn kont, dan nóg zou het niet goed zijn.

Gisteren dus ook weer niet.

Wat wil het geval?

Het ziekenhuis, waar ze vorige week bloed is gaan laten prikken, is haar buisjes ergens in het proces kwijtgeraakt. Er was geen uitslag te vinden. Ze kwam bij mij voor de resultaten maar wij hadden niets. Dus ik mailde en belde naar het ziekenhuis maar ze stond gewoon niet in het systeem.

Ik deelde haar dat mee.

Ze schoot vól de irritatie in. Ze beschuldigde me ervan dat ik suggereerde dat ze niet geweest was.

‘Ik trek uw verhaal niet in twijfel. Ik deel u alleen mee dat het ziekenhuis niets van u heeft. Uw bloed is daar blijkbaar kwijtgeraakt’.

Maar ze ging maar door en door en door.

Ik viel haar op een gegeven moment in de rede, vertelde dat ze haar klacht niet bij mij moest leggen, maar moest deponeren in het ziekenhuis. En ik duwde haar nog net niet de deur uit…

Raar wijf. Als je iets bij de Hema koopt dat je niet bevalt, ga je toch ook niet zeiken bij de Etos?

Toen ik haar de weggewerkt had, kwam zuurpruim nummer twee.

Die had één en ander verkeerd begrepen. Laura en ik doen elke morgen tussen acht en negen uur, zonder afspraak, kortdurende medische handelingen zoals het meten van bloeddrukken, hechtingen verwijderen en bloedsuikertjes prikken. Even melden aan de balie en op volgorde van binnenkomst word je dan geholpen. Meestal ben je zo aan de beurt, soms moet je heel even wachten.

Op dit moment nemen we waar voor twee andere praktijken dus is het extreem druk.

Die zure man kwam om acht uur, maar toen stond er al een bescheiden rij. Toen hij aan de beurt was, was het (mede dankzij mijn tijdslurpende botsing) half negen. Op mijn vrolijke “goeiemorgen” kwam een binnensmonds gemompel terug. Meneer was boos. Want hij had een afspraak om acht uur en ik was te laat. Ik legde hem fijntjes uit dat hij het zelf niet goed begrepen had, we maken namelijk geen vaste afspraken, het is ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. En ik voegde er aan toe dat ons stinkende best deden. Had hij niet gezien dat de wachtkamer bomvol zat?

Nul respons. Laat staan een ‘oh, dan heb ik het niet goed begrepen’ of iets van die strekking. Hij bleef mokken.

Toen hij weg was, checkte ik voor de zekerheid mijn menstruatieapp. Het zou zomaar kunnen dat het aan mij lag, ik ergerde me werkelijk kapot aan het gedrag van beide mensen.

Maar nee, niks aan de hand. Ik hoefde geen hand in eigen boezem te steken. Het lag echt aan hen.

Mijn verdwijnende verzorgbejaarde

Eens per twee weken ga ik een uurtje langs bij mevrouw Mast. Vijfennegentig is ze.

Een jaar geleden zag ze het allemaal niet meer zitten.

Eerst ging haar beste vriendin dood, die ze al kende vanaf haar twintigste.

Toen overleed haar zus aan de gevolgen van dementie en een opgebruikt lichaam.

Vervolgens gingen, naast haar ogen, ze ziet aan één kant niets meer en met het andere oog de helft nog, óók nog eens haar oren kuren vertonen. De dagen duren eindeloos als je bijna niets meer kunt zien en horen. Want wat moet je doen?

Ze werd steeds afhankelijker van de verpleging. Die te kampen heeft met een enorm verloop omdat de druk veel te hoog is en het voor mij als buitenstaander lijkt alsof het management wil dat iedereen met een burn-out thuis komt te zitten door steeds meer debiele regeltjes in te voeren. En steeds weer te sleutelen aan roosters. Pauzes eruit bezuinigen. De duimschroeven worden steeds verder aangedraaid.

Haar lievelingsverpleegster Joyce, die echt alles voor haar deed, zelfs in haar vrije tijd, is ook langdurig uitgeschakeld. Uitgewrongen. Voor mevrouw Mast een enorme klap. Ze mist Joyce gigantisch.

Het gebeurt zeer regelmatig dat mevrouw Mast tot elf uur in haar bed ligt te wachten tot er iemand tijd heeft voor haar om haar te wassen en in haar korset te hijsen. Dat ze nodig heeft omdat ze zonder, met haar wervelinzakkingen, niets kan. Totaal hulpeloos. In het donker. Want zelf even de gordijnen open doen kan ze niet.

Meestal spreek ik rond tienen met haar af. Het begint bijna normaal te zijn dat ze dan nog niet geholpen is. Hoe vaak ik haar niet in tranen aantref omdat ze nog geen tijd hadden voor haar? ‘En ik heb ze nog zó gevraagd of ze alsjeblieft vroeg wilden komen, omdat jij op visite komt…’

Mij kan het persoonlijk niets schelen als ze nog in bed ligt. Hoofdeinde overeind, koffie zetten, gordijnen open en dan gaat het prima. Maar ze schaamt zich, zo in haar pon, zonder bh. Ik snap dat ook wel.

De combinatie slechte zorg, totaal afhankelijk zijn van anderen , iedereen om haar heen die dood- en weggaat en haar lichaam dat steeds meer kuren gaat vertonen, maakt dat ze geen zin meer heeft.

‘Kliefje, ik ben het zat. Er is voor mij niets meer aan. Van mij mag het snel afgelopen zijn…’ hoe vaak ze dat niet zegt?

Een jaar geleden gaven we haar een antidepressivum, om haar wat beter te laten slapen en zich wat lekkerder te laten voelen. Dat werkte aardig. Ze huilde niet meer zoveel, kon weer grapjes maken, kreeg weer interesse in andere mensen.

Het effect duurde enkele maanden.

Nu is het uitgewerkt…

Ik zie haar langzaam oplossen. Het lijkt wel of ze transparant aan het worden is. Ze wordt sowieso magerder want niets smaakt haar meer. Maar ook haar sprankeling is aan het verdwijnen. Haar ogen worden steeds doffer.

Ik ben bang dat ik binnen niet al te korte tijd afscheid van haar moet nemen.

Mijn lieve mevrouw Mast. Ik hoop voor u dat het einde niet meer al te lang op zich laat wachten… Laat maar los. Het is goed zo.


Dit blog staat ook op HoeVrouwenDenken

Plogje 19

Even tijd voor wat beelden, al dat gezeik van de afgelopen week gaat u misschien wel vervelen? ;)

20160927_183706
Gekregen van één van de liefste patiënten die we hebben. Dank je wel Hans!

 

20160928_072700
Hierop zou de doodstraf gegeven moeten worden. Of op zijn minst 500 stokslagen.

 

20160923_093244
Eindelijk mijn hersenen beschermd tegen al die schadelijke straling die we hier in de Randstad hebben… Hoop dat het niet te laat is.

 

20160922_130430
Mijn nicht en ik deden een klein lunchje. Was lang geleden dat ik zó lekker buiten de deur at. *zucht*

 

naamloos
Ik ging vreemd en volgde een nascholing bij de assistentes. Een keertje geen COPD, dacht ik. Leuk. Ik had wel zin in foto’s van schuimende mutsen. Maar hij was saai. Jammer!

De één zijn dood…

Vanmorgen om kwart voor zeven zat ik nietsvermoedend aan de eettafel met poes, thee en de krant, toen ik een appje kreeg van mijn collega Laura.

“Sorry collegaat”, schreef ze, “maar ik ben al de hele nacht plus morgen aan het overgeven. Heb me net ziek gemeld bij de vrouw van Peter”.

Ik appte ook naar de vrouw van Peter en vroeg haar of ze me even een paar uur kon komen helpen. Ik ben best heel handig, maar én vier uur aan de telefoon zitten, én alle administratie doen, én alle patiënten tussendoor uitstrijken, injecteren, verbinden en wat dies meer zij, én alle mails beantwoorden en dan ook nog even in mijn uppie een wrattenspreekuur te draaien, is zelfs voor mij iets te gortig.

Ik kreeg terug dat het toeval wilde dat óók Peter geveld was. Door een linke mossel zoals het leek.

De praktijk bleef dicht.

Ik maakte me op, hees me in makkelijke kleding, rende naar beneden en fietste een persoonlijk record naar de praktijk toe.

Het is namelijk handig om met dit soort calamiteiten vroeg aanwezig te zijn, vanaf ongeveer half acht stromen de mensen binnen. We werken ‘s morgens met een inloopspreekuur en het is altijd de grote vraag wat de dag zal gaan brengen.

In ieder geval: eenmaal in het gebouw trok ik mijn kogelwerende vest aan, hing een stel granaten aan mijn riem, laadde mijn stengun en stapte dapper de wachtkamer binnen.

“Dames en heren, goedemorgen. Ik heb een vervelende mededeling. De dokter is ziek, hij is er vandaag dus niet”.

Het daarop onmiddellijk volgende gezucht, gesteun en gekreun was niet van de lucht. Ook de Godvers en wat dies meer zij vlogen in het rond. Gelukkig werd er dit keer niet op me geschoten, noch werd ik bedreigd of gestenigd. Meevallertje.

Fijn altijd dat begrip van mensen.

Ik meldde dat ik zelf alleen tussen acht en negen aanwezig zou zijn, voor medisch-technische handelingen. En ik liep terug naar de plek van Laura waar ik wachtte op mijn eerste slachtoffer.

Er kwam een groepje pensionado’s aan dat elkaar bijkans de hersens insloeg al discussiërend over wie er nou als eerste aan de beurt was.

Ik trok de voorste bejaarde aan zijn jas naar voren en maande de rest tot stilte.

“Zowel de dokter als mijn collega zijn ziek. Ik ben alleen. Ik kan me niet in tweeën delen, noch kan ik door muren kijken. Ik heb dus ook niet gezien wie er van u vanmorgen als eerste binnen was. Ik begin met meneer van Wensveen. Mijn deur doe ik even dicht. Als ik straks klaar ben met meneer van Wensveen, ga ik er vanuit dat u eruit bent wat betreft de volgorde? Ik heb geen zin en tijd om politieagentje te moeten spelen namelijk.”. En ik kwakte de deur dicht.

De rest van de morgen verliep -Goddank- rustig.

Na een uurtje sloot ik mijn deur, hing overal briefjes op dat we noodgedwongen niet aanwezig waren en ik stortte me op de nieuwe kasten. Daar had ik nu mooi tijd voor.

Om kwart voor twaalf was ik klaar met alles.

Lullig voor Peter, maar ik ben blij dat ie ziek is :)

20160831_114334
Táda! Ze zijn af :)
20160831_114342
Peter heeft wat te doen morgen. Hiervan moet minstens de helft in de papiercontainer als het aan mij ligt.
20160831_114358
En de oude kast is afgevoerd en wordt morgen opgehaald. Ook geregeld. Weg = weg.

Vrij = vrij.

Gistermiddag ging ik naar de plaatselijke drogist om nog even wat laatste dingetjes te kopen voor Jill, die zaterdag op vakantie gaat met haar BFF en haar ouders.

Ik spotte meteen al, ter hoogte van de douchegel, twee patiënten.

Hoezee.

Het is zo namelijk, dat op een zeer zeldzaam geval na, ze me állemaal dingen vragen over mijn werk.

Sta ik in de rij voor de kassa gilt er iemand achter me “Klivia, is mijn lab al binnen?”

Loop ik in de stad met Vlam, vragen ze me of ik een verwijzing voor de oogarts in orde kan maken.

Zit ik ergens op een terras koffie te drinken, lopen ze naar me toe en laten ze me een plekje op hun arm zien. “Heb jij een idee wat het is?”

Gisteren was niet anders. Nummer één vertelde me zo moe te zijn de laatste tijd en of ik wat tips voor haar had. Nummer twee wilde me de extended version geven van de breuk van haar onderarm. Ik kapte beide gesprekken vriendelijk edoch resoluut af en verwees ze naar het spreekuur van de dokter. “Bel Laura even!” riep ik nog, terwijl ik achter het schap met maandverband dook.

We hebben ruim drieëntwintighonderd patiënten. Er komt elke dag een enorme berg (elektronische) post binnen. Ik verwerk elke dag tientallen labuitslagen. Die bekijk ik vluchtig, koppel ze aan de juiste aandoening en noteer degene die serieus afwijken om even te overleggen met mijn werkgever. Die met zaken die ik zelf kan en mag behandelen en of adviseren, werk ik af.

Tuurlijk kan ik vanuit die rij voor de kassa terug gillen. “Uw PSA is wat verhoogd meneer de Vries. De dokter wil graag dat u één dezer dagen even langskomt voor een rectaal toucher!”. Maar meestal is het -en dat klinkt misschien heel raar- dat ik géén flauw idee heb of dat lab al binnen is. Laat staan dat ik de waardes uit mijn hoofd heb geleerd.

Ik vraag me altijd af wat die mensen denken? Hoe ze denken.

Ik kom ook wel eens in het wild mensen tegen die ik ken van bijvoorbeeld een winkel, of vanuit de apotheek, of de tandarts.

Geen haar op mijn hoofd die er over nadenkt dat ik ze, als ze overduidelijk vrij zijn, ga confronteren met hun werk.

Tegenwoordig heb ik een standaardzin als ik vrij zijnde attackt word. Als een patiënt op me afkomt en vraagt of zhij me wat mag vragen.

Met een glimlach antwoord ik dan gewoon: dat hangt er eerlijk gezegd vanaf. Als het een werkgerelateerde vraag is, dan liever niet. Ik ben op dit moment namelijk vrij. U bent van harte welkom om mijn spreekuur, of stuur me even een mailtje. Dan kijk ik er maandag naar. Oké?

Op een enkele volhardende aandringert, druipen ze dan wel af.

Gezellig even een praatje pot als ik patiënten tegenkom, helemaal leuk en prima. Maar wérk als ik vrij ben? Neh.