Plateaufase.

Die ijshockeywedstrijd was te veel. Dat moge duidelijk zijn. Tot en met zondagavond, toen ik om tien uur naar bed ging, heb ik de naweeën mogen ervaren van een paar uur teveel prikkeling. Ik wist het wel al van te voren, maar ik leef al maanden als een bewoner van Huize Avondrood en dat ben ik ook wel eens beu. Ik heb een leuke avond gehad. En beter nog: Vlam heeft een leuke avond gehad. Daar ging het me om.

Het schiet helaas niet op hier.

Ik ga niet achteruit.

Maar zeker ook niet vooruit.

Het enige positieve dat ik qua gezondheid te melden heb, is dat ik minder emotioneel ben. En daar ben ik blij om. Ik schaamde me er absoluut niet voor, maar dat hele jankerige vond ik gewoon zeer vermoeiend. Mijn opa zat wel eens snikkend aan tafel omdat hij de brie zo lekker vond. Ik ben altijd als de dood geweest dat dat mijn voorland zou zijn. Dat bleek ook zo te zijn. Tijdelijk. Gelukkig kan ik weer een kaasplateautje eten zonder een doos Kleenex ernaast.

Vorige week heb ik me donderdag ziek gemeld. Ik kon niet meer. Werd al wakker met een te vol hoofd. De één zijn dood is de ander zijn brood maar dan anders. Mijn collega Laura kon me wel zoenen want het teamoverleg ging niet door zonder mij. Fijn dat ik toch nog mensen gelukkig kon maken met mijn haperende hersenen!

Van Peter kreeg ik een zeer lief mailtje. Hij eindigde met “en wees er zeker van dat je, na al die jaren van volledige inzet, dat herstel zeker verdient!”. 

Donderdag heb ik een afspraak met de neuroloog en komt de uitslag van de zes (!) weken geleden gemaakte MRI ter sprake. Ik weet bijna 100% zeker wat ik ga zien: normale vliezen. Want daar ligt het euvel ook niet meer. De hersenen zelf hebben ook zes weken te droog gestaan en hebben celschade opgelopen. En dat is niet te zien op een scan.

Van een eventuele coach heb ik niets meer gehoord. Inmiddels is het vijf weken geleden dat ik bij de bedrijfsarts was, heb ik drie keer gebeld, ben ik tig keer van het kastje naar de muur gestuurd en geef ik het maar op. Volgende maandag spreek ik hem weer en dan uit ik mijn teleurstelling wel bij hem. Want daar ligt het probleem: hij is me vergeten aan te melden. So much voor de attente arts.

Misschien is het handiger (en sneller) als ik één en ander via de revalidatiearts ga regelen zaten Peter en ik te denken. Die kunnen me ook aan een psycholoog schuine streep coach helpen. En die weten vast wel meer over wat ik mankeer en waar ik rekening mee kan houden. Dan heb ik het hele traject op één plek.

De neuroloog gaat me namelijk niets nieuws vertellen. Gaatje is dicht, probleem is opgelost. Succes verder!

En als hij weer over spanningshoofdpijn begint, dan ga ik heel hard gillen.

Daar heb ik wel een paar dagen last voor over.

Dit blijft toch mijn lievelings collega 😉

Ik heb nieuwe tieten!

Ten eerste: ik niet.

Van die tieten.

Ten tweede: als u niet zo goed tegen scheldwoorden en vloeken kunt, kunt u het beste maar even weg klikken vandaag. Ik bezig bijna alle gebruikte woorden zelden tot nooit, maar de mensch om mij heen op de praktijk daarentegen wél.

Vandaag was ik in mijn spreekkamer toen één van mijn suikerpatiënten aan de balie bij Laura stond. Ik hoorde al wie het was en ondanks dat hij geen afspraak had, hielp ik hem toch maar even. Want hij kwam nogal gespannen over. Zijn vrouw bleek haar arm te hebben gebroken en hij liep bijna over. “Ik doe álles op het moment. Boodschappen, de was, koken. En -en daar ben ik dan vijfenzeventig voor geworden Klief-, dan moet ik godverredomme óók nog El der kut wassen”…

Gelukkig stond mijn deur open, praatte hij nogal hard en stonden er zomaar een paar mensen aan de balie.

Enige maanden geleden zat ik er zelf, collega Laura was even naar het toilet. Komt één van onze patiëntes aangelopen. Stralend stond ze voor me.

“Zie je niks aan me Klief?”

“Je hebt je haar geverfd ? Nee? Nieuwe bril? Ook niet? Eh, geen idee Connie?”

“Haha, nee joh. Klief; kijk nou eens goed!”

“Ik heb nieuwe tieten”.

“Mooi hè?”

En toen ging -hoppa- zo haar truitje omhoog.

(Ik moet (gunnend jaloers) toegeven: ze stonden er pront bij).

Ook een mooie. Ik belde een patiënt om wat labuitslagen met hem door te nemen. Ik kreeg zijn vrouw aan de lijn en vroeg haar of Leo thuis was. “Nee sorry, hij is er wel maar kan nu niet aan de telefoon komen. Hij zit namelijk nét even te schijten. Mag hij je straks terugbellen lieverd?”

Tuurlijk joh.

Of toen -ik vergeet dat nooit meer- ik een mevrouw met haar broek naar beneden voor me had staan. Uit wiens groen schuimende vaginale swabje de week daarvoor diverse linke beesten naar voren waren gekomen. Onder andere een hele fijne gonorroe. Best knap, als je die anno 2018 oploopt. Daar moet je behoorlijk je best voor doen. En blind zijn. In ieder geval: terwijl ik net de gevaarlijk uitziende lange en dikke naald in haar bil had gejast en de stroperige vloeistof heel langzaam erin spoot vroeg ze me: “Die gonorroe hè? Kan die niet komen van die ene keer, laatst, toen ik een XTC pil in mijn kut heb gestopt?”

Hij brak bijna af, mijn naald.

Net als ik trouwens.

Bron: Pixabay.com (519388)

 

Nul komma nul zin

Mijn week vakantie zit er alweer op. Morgen mag ik aan de bak. En heel eerlijk gezegd heb ik daar echt absoluut geen zin in.

Ik houd van mijn werk.

Tenminste; in normale doen. Nu begin ik er langzaam maar zeker een hekel aan te krijgen.

Ik werk drie uur en alleen al aan de administratie ben dagelijks op zijn minst tweeënhalf uur kwijt. Ik verwerk alle elektronische post en eventuele waarneming, beantwoord alle e-mails, doe de administratie voor onze twee maatschappelijk werkers, onderhoud de website, nodig diabeten uit voor mijn spreekuur, ‘overleg’ met ze over labwaardes en eventuele aanpassing van medicatie.

Kortom: in de uren dat ik nu aanwezig ben, zijn mijn dagen propvol.

Mijn werkgever heeft niet gezorgd voor vervanging.

Mijn collega is niet meer gaan werken.

Ik voel de druk als ik aan het werk ben. De zaken die ik laat versloffen nu, waar ik met geen mogelijkheid aan toe kom in de helft minder uren, hijgen in mijn nek. Dat geeft veel onrust. En onrust resulteert in hoofdpijn, oorsuizen, een fluit in mijn hoofd en druk op en in mijn hersenpan. En in thuiskomen en anderhalf uur moeten slapen om bij te komen.

Wat mij ook onrust geeft is de hectiek in de praktijk. De mensen aan de balie, de spoedlijn die gaat, de apotheek die ‘even tussendoor’ wil overleggen, de verzoeken die ik ontvang om mensen ze terug te bellen. Kortom: er komt veel te veel op me af.

Maar het meest last heb ik van mijn werkgever. Die mijns inziens echt steeds de druk aan het opvoeren is. Die me vorige week, mijn laatste werkdag voor de vakantie, vraagt om de volgende dag terug te komen, om een mail naar alle patiënten te sturen. Want hij had het te druk om het in orde te maken voor ik wegging. En ik? Ik kan momenteel geen nee zeggen. Want ik ben verbaal niet sterk genoeg. Ga al janken als ik dénk dat iets spannend gaat worden.

En als ik dan zeg dat het vrijdag niet lukt omdat ik naar Rotterdam ga en zaterdag ook niet vanwege bezoek van mijn broer, vertaalt hij het zo in zijn hoofd dat ik in de weekenden feestvier en dus ook wel weer de middagen kan gaan werken. ‘Ik hoop dat je na de vakantie weer eens een spirometrie zou kunnen doen’ was dan dus ook wat hij zei.

Ik zat jankend op de fiets naar huis.

Want mijn feestvieren in het weekend is heen en weer met het ov naar Rotterdam, daar twee winkels bezoeken, een rondje lopen, ergens koffie drinken en weer naar huis. En daar ben ik dan zo moe van, dat het me niet meer lukt om daarna nog’even’ heen en weer naar de praktijk te fietsen om voor hem een mail te versturen.

Ik heb hem dat (en meer) ook gemaild vorige week.

Zal mij benieuwen of het de aankomende week beter gaat.

Ik ben in ieder geval alweer behoorlijk nerveus voor ik überhaupt nog maar begonnen ben met werken.

Bijzonder dat huisartsen in de rol van dokter zo meelevend kunnen zijn, maar als ze werkgever zijn, ineens een heel andere kijk op de situatie hebben…

Bron: Pixabay.com (1573037)

Gedeelde smart is halve smart.

Via mijn blog kwam ik dan ein-de-lijk in contact met een iemand die net als ik ook lekkende hersenvliezen had. We zijn zeldzaam. Één op de 50.000 mensen heeft dit euvel.

Na een paar mailtjes, hebben B en ik vanmorgen gebeld.

Het was een ‘feest’ van herkenning.

Niet op alle punten hebben we dezelfde klachten, maar één ding was wel heel duidelijk: we zijn beiden snel overprikkeld en moeten onze bezigheden enorm doseren.

Bij haar begonnen de klachten ruim tweeënhalf jaar geleden. Momenteel werkt ze maximaal zes uur per dag, meer kan ze niet aan. Tijdens het werken moet ze mini-pauzes inlassen, anders houdt ze het niet vol. Haar deur gaat regelmatig dicht om geluiden vanuit de gang tegen te houden. Twee dingen tegelijk kan ze niet. Dan is ze moe en kan ‘er niet meer in haar hoofd’.

Ik weet precies wat ze bedoelt. Woensdag had ik weer zo’n dag. Retedruk op de praktijk, patiënten, mensen aan de balie, de spoedlijn tussendoor, de wetenschap dat ik hopeloos achterloop qua administratie en als klap op de vuurpijl mijn werkgever. Die mij de afgelopen ruime week dagelijks heeft lastiggevallen met het feit dat hij gekort ging worden op zijn geld, dat we niet meer voldeden aan de eisen van onze zorggroep en dat er nu echt longfunctieonderzoeken moesten worden afgenomen worden. En het lukte hem maar niet om een vervanger voor mij te vinden. Zelfs op weg naar de wachtkamer, toen ik een nieuwe patiënt ophaalde, begon hij er over…

Ik werk momenteel drie uur per dag en alleen aan de dagelijkse administratie heb ik tweeënhalf tot drie uur werk. Tussen acht en negen heb ik inloopspreekuur. En vanaf kwart over negen doe ik één of twee uitstrijkjes. Ik prop al teveel dingen in die drie uur.

En dan steeds iemand aan je kop hebben die je onder druk zet.

En of ik hem anders uit kon leggen hoe het moet? Want dan ging hij ze zelf wel op zaterdag afnemen, die onderzoeken. (Alsof ik in een uurtje iemand zoiets gecompliceerds kan leren. Ik heb een half jaar lang een longverpleegkundige naast me gehad).

Ik was het schijt- maar dan ook schijtzat en ik mailde de zorggroep. En ik kreeg zwart op wit dat we helemaal niet in de gevarenzone zitten en dat er geen enkele reden is om onze betalingen in te houden.

Intussen was ik kapot van de druk en de stress.

Woensdag stopte ik na tweeënhalf uur werken en toen ik thuis kwam, knalde mijn kop bijkans van mijn romp. Suizen, zoemen, fluiten. Het was zó vol en zó chaotisch dat ik bijna in paniek raakte. Ik kan het gevoel niet uitleggen. Ik begon keihard te huilen en zat voor het eerst van mijn leven op het randje van hyperventileren.

En toen las ik B’s mail. En daarin schreef ze onder andere dat haar revalidatiearts haar had verteld dat wanneer de hersenen bijna zes weken lang, (in mijn geval), te weinig hersenvocht hebben gekregen, ze celschade hebben opgelopen. De cellen kunnen zich wel weer herstellen, maar dat gaat langzaam.

En toen moest ik weer huilen.

Maar dit keer van ‘blijdschap’.

Ik ben niet gek.

Ik stel me niet aan.

En die neurologen onderschatten het hele probleem; die focussen zich alleen maar op dat lek. Dat moet dicht en daarna ben je genezen.

Ammehoela met je genezen.

Bron: pixabay.com (2328291)

Mohammed en de berg.

Wij hebben op de praktijk een vrij soepel beleid.

Als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan.

Echter; ik ben dan Mohammed.

En geen gekke Gerritje.

Ik vind het jammer dat heel veel mensen met ons als huisartsenpraktijk zo soepel (lees: laks) omgaan. Niet naar ons kunnen komen omdat ze anders de regiotaxi moeten nemen en dat kost geld, maar er geen enkel probleem mee hebben om diezelfde taxi wel te bellen als ze naar de kapper of de bingo willen. En even voor de goede orde: wij krijgen nul komma nul voor een visite, dat u dat even weet. Wij ontvangen elk kwartaal een x bedrag voor elke patient. Ongeacht of iemand wel of niet komt. Dat bedrag is overigens gebaseerd op vier bezoeken aan je huisarts per jaar. Wij zitten in een achterstandswijk. Bij ons komen mensen soms wel vier keer per week.

Ik heb een aantal slecht ter been zijnde, oudere patiënten dat ons gewoon misbruikt.

Die ik dus overal tegenkom in een scootmobiel, betrap in de supermarkt en die me lachend inhalen als ik op de fiets ben. Maar als ik ze vraag even langs te komen om de suiker te controleren, ineens niet mobiel zeggen te zijn.

Right.

Komt iemand bij mij op de praktijk prikken en meten, dan ben ik in vijf minuutjes klaar. Moet ik datzelfde doen bij iemand thuis, dan ben ik -hangt er ook vanaf hoe ver iemand weg woont- zeker een half uur mee kwijt. Meestal is het meer. En als dan blijkt dat iemand best even naar ons had kunnen komen, dan baal ik daarvan. Alsof ik niets anders te doen heb? Ik vind huisbezoeken afleggen zalig hoor, niks zo lekker als even naar buiten kunnen en de semi-vrijheid te proeven. Maar dan moet het wel geoorloofd zijn. Want ik hoef me namelijk niet echt te vervelen op mijn werk.

Nu met de griepprikken was het helemaal feest. Hoeveel mensen er niet thuis waren toen ik met de spuit op de stoep stond? En waag het niet er wat van te zeggen, want dat krijg je nog een beledigd hoofd ook.

En ook zoiets raars: moeten die mensen naar een specialist in het ziekenhuis toe, dan kan het ineens -wonder oh wonder- wel. Want er is natuurlijk geen cardioloog of orthopeed die huisbezoeken aflegt. Dus dan wordt ineens wel de portemonnee getrokken of de buurvrouw geronseld als taxichauffeuse.

Maar van de huisarts verwachten ze wel dat die alles aan huis komt doen.

Tot en met dopplers (vaatonderzoek aan armen en benen) aan toe. ‘Gewoon op de keukentafel toch Klivia? Dat kan toch wel? Tuurlijk. Ik geef u wel even een pootje’.

De volgende stap is dat ik uitstrijkjes in eigen bed ga verrichten.