Ik kan er met mijn pet niet bij.

Zoals bekend ben ik nogal anti-roken.

Ik zie wat het doet met mensen. Elke dag weer heb ik rochelende, in hun eigen slijm snorkelende mensen tegenover me. Een beetje COPD-er kan het beamen: benauwd zijn is echt vreselijk. Ik heb één keer bronchitis gehad in mijn leven en vond het al beangstigend. Het niet goed door kunnen ademen. En dan stelde het bij mij op de schaal van benauwd zijn helemaal niets voor. En ging het ook weer over. Goddank.

Je zult het maar altijd hebben. Vraag maar aan mijn vriend lieve Evert hoe het is. Die kan niet eens meer van zijn stoel naar het aanrecht (vijf meter) zonder naar adem te moeten happen. Hij moet echt minutenlang puffen om bij te komen van zo weinig inspanning.

Een blogger die ik ooit volgde en inmiddels overleden is aan COPD, verwoordde het “mooi”. Het voelt alsof ik de hele dag iemand heb die op mijn borstkas zit. En ondertussen moet ik ook nog ademen door een rietje.

Dat is toch pure horror?

Dat wil je toch niet?

Vlam heeft twee keer bij mij op de praktijk geblazen en zit tegen de grens van COPD aan. Hij blies met zijn -toen- vierenveertig voor iemand van negenenzestig. Wij wonen drie hoog. Komt hij boven, we hebben het over vijf trappen, dan is hij buiten adem.

Zes jaar geleden is hij “gestopt”.

Maar ik weet dat hij regelmatig nog een sigaretje opsteekt. Ik vraag er nooit naar maar ik ben gekke Gerritje niet.

Hij doet het nooit waar ik bij ben, want ik heb hem heel duidelijk gemaakt dat ik het niet alleen supersmerig vind ruiken, maar dat het me ook tegelijkertijd boos en verdrietig maakt. Hij. Met zijn slechte longen.

Gisteravond is hij met twee vrienden de stad in gegaan. Ze hadden een zomer-biertocht.

Jill en ik zijn samen naar de bios geweest en hebben daarna een hapje gegeten in de stad. Op de terugweg naar huis, sloten we heel even bij de mannen aan. Deden één drankje en zijn weer naar huis gegaan. Vlam en zijn vriend hebben niet gerookt waar ik bij was.

Maar ik hoorde vanmorgen aan zijn gerochel na het poetsen en zijn gekuch tijdens het ontbijt dat hij het pvd weer gedaan had. En behoorlijk ook.

‘Heb je veel gerookt darling?’ vroeg ik hem fijntjes.

‘Gaat…’ was zijn antwoord. En hij kletste er professioneel om heen.

Later op de morgen vroeg hij aan me of het wel goed met me ging. Ik was afstandelijk.

‘Nee’ zei ik. ‘Ik ben boos op je. Ik vind je een eikel. Ik hóór je longen zuigen. Ik hoor het slijm. Je bent alleen maar aan het kuchen. Wanneer ga je nou eens snappen dat je lichaam dit niet wil? Dat dit niet goed voor je is? Wanneer gaat die knop nou eindelijk eens om?’

Hij stond erbij en hij keek ernaar.

Ik vind verslaving een onbegrijpelijk iets. Ik snap het niet en ik wíl het ook niet snappen…

Ik haat roken.

Ik ben zo’n ex-roker die een ontzettende hekel heeft aan roken.

Van mijn achttiende tot en met mijn eerste week zwangerschap, ik was toen ruim vijfentwintig, heb ik gerookt.

Echt verslaafd ben ik nooit geweest. Waren en geen sigaretten voor handen? Ook goed. Ik werkte toen in de horeca en begon om vijf uur. Ik stak mijn eerste sigaret dus ook pas dan op. Bij mij thuis werd niet gerookt, ik vond het toen al meuren.

Mijn relatie voor Vlam rookte, dus ik begon weer. Heel soms eentje. Niet eens zozeer omdat ik het lekker vond, maar als je zelf rookt, heb je niet in de gaten wat een putlucht en om iemand heen hangt en wat hij voor goors uitademt.

Vlam heb ik al rokende leren kennen. Toen al bijna dertig jaar. Hij is als kind er al mee begonnen.

Toen we elkaar een jaar kenden en hij inmiddels bij ons was ingetrokken, kwam hij er uit zichzelf mee: ik ga maar eens stoppen. Lijkt me beter voor mijn gezondheid. Als hij namelijk ’s nachts er wel eens uit moest om te plassen, kwam hij van één trap weer hijgend als een postpaard naast me liggen.

Goed plan. En ik stopte mijn spaarzame roken ook. En heb het nooit meer gedaan.

Hij kwam op mijn werk een spirometrie, een longfunctie, afnemen en die was niet best. Nog nét geen COPD. Op het randje was het. Duidelijke afname van de rekbaarheid van zijn longblaasjes. Hij blies met zijn toen drieënveertig jaar voor iemand van vijfenzestig.

Goddank kreeg hij vrijwel direct na het stoppen een hernia en lag hij in een ziekenhuisbed in de woonkamer en kon hij niks meer. Dus ook geen boodschappen doen. En ik weigerde ze te halen voor hem. Echt een geluk bij een ongeluk, want anders had ik er zeer weinig vertrouwen in gehad dat het hem zou lukken. Vlam en roken is een complexe combi.

Nu, inmiddels bijna zes jaar na zijn “stoppen” is hij er nog niet helemaal van af namelijk.

Ik baal er van, ontzettend.

En ik vind het heel erg zwak van hem in alle eerlijkheid. Die man heeft zoveel wilskracht, alles lukt hem. Maar die K&^%$ sigaretten voorgoed aan de wilgen hangen? Ho maar.

Als ik er bij ben, doet hij het niet, want dan krijgen we echt woorden namelijk. En niet te zuinig ook. Ik kan er met mijn pet niet bij dat iemand die zo intelligent is, die zijn vader heeft zien sterven aan kanker, die zijn opa heeft zien worstelen met emfyseem, die wéét in wat voor wankele staat zijn eigen longen zijn, moedwillig nog steeds zo nu en dan rookt.

Elke keer weer als hij een sigaret opsteekt, blijft bij dat stukje in zijn hersenen triggeren dat de verslaving in stand houdt.

Elke spoortje stress dat hij heeft, gebruikt hij als excuus om te roken. Vader dood? Roken. Ruzie met mij vorige week? Hop, meteen naar de supermarkt.

Sowieso doet hij het als hij met zijn vrienden op stap is.

En nu houd ik mijn hart vast: wat gaat hij doen als hij weer samen gaat werken met zijn broer? Als hij elke dag een rokend iemand om hem heen heeft?

Ik ben niet het type dat andere mensen dingen verbiedt. Maar hier moeten we toch maar eens een hartig woordje over gaan spreken.

Want ik weet niet wie er straks die rolstoel van hem gaat duwen, met dat tankje zuurstof? Maar ik ben het niet.

Minder.

Ik heb naar aanleiding van de afgelopen blogs over mijn werk ook veel nagedacht over mezelf, over mijn rol in de praktijk en mijn goeie en minder goeie kanten.

Het is zo als je mijn functie hebt, dat je heel erg divers werk doet. Veel dingen die ik doe, zijn me in de loop der jaren door mijn strot geduwd, mijn takenpakket werd ongevraagd steeds omvangrijker. Of ik het nou leuk vond of niet. Of ik er nou geschikt voor was of niet.

Ik heb zelfreflectie genoeg om te weten waar ik op zijn minst minder goed in ben.

Ik vind bijvoorbeeld het hele stukje COPD zorg niet leuk. En dan druk ik me netjes uit. Onze praktijk ligt in een achterstandswijk en het gros rookt. En bijna niemand wil daar mee stoppen. Om alle mogelijke denkbare redenen. Hun goed recht. Leven en laten leven. Maar verwacht dat niet van mij dat ik me met hart en ziel inzet voor deze spreekuren waar heel demotiverend nul komma nul winst uit te behalen valt.

Stoppen met roken spreekuren doe ik sowieso niet. Ik heb ooit, jaren geleden gewoon eerlijk aangegeven bij mijn werkgever dat ik vind dat verslavingszorg (want dat is het. Roken is verslavender dan cocaïnegebruik) niet thuishoort in de huisartsenzorg, maar bij specialistische zorg. Mijn werkgever is het gelukkig met me eens. Daarbij kan ik helaas bedroevend weinig begrip opbrengen voor mensen die hun eigen lichaam en daarmee het leven van hun naasten, vergallen. En het kost het ons verschrikkelijk veel tijd, die we niet hebben, om al die mensen te begeleiden en ze de aandacht en de tijd te geven waar ze recht op hebben.

Tijd die ik liever besteed aan mensen die mijn hulp en expertise nodig hebben omdat ze in een situatie zitten waar ze niet zelf voor hebben gekozen. Zoals de rouwende mevrouw. Of het grootste gedeelte van “mijn” diabeten.

Er zijn dingen waar ik wel goed in ben. Je kunt met gerust hart aan mij overlaten allerhande verslagen en verbeterplannen te tikken. Voor een stukje tekst draai ik mijn hand niet om. Ik ben handig met taal en als ik er even voor ga zitten, schud ik de flauwekul woorden zo uit mijn mouw. Maar dat zal u niets verbazen met bloggen als mijn hobby.

Ik ben ook goed in uitstrijkjes maken. Vrouwen voelen zich op hun gemak bij mij. Ik doe ook -op dit moment als enige in de stad geloof ik-, de onderzoeken bij vrouwen die niet bij ons in de praktijk zitten, maar een huisarts hebben die ze het niet toevertrouwen. Ik handhaaf bij alles dat ik doe: wat je niet wilt dat jezelf geschiedt, doe dat ook een ander niet. En andersom ook natuurlijk. Wat zou je zelf wél willen?

Dat zouden meer mensen moeten doen.

En daar ligt -denk ik- ook de kern van werken in de gezondheidszorg.