De overtreffende trap van erg.

Ik heb een pesthekel aan jankende kinderen in restaurants.

Ik erger me groen en geel aan mensen die geen deuren voor je openhouden.

Niks zo irritant als thuis komen na winkelen en dat er dan nog zo’n magnetisch anti-diefstal ding in je truitje zit.

Maar wat het állerergst is, en daar ben ik recentelijk dus pas achtergekomen, is op zaal liggen in een ziekenhuis.

Het doel van een verblijf aldaar is je béter te maken toch?

Hoe de fuck kun je opknappen als op zo’n zaal nooit rust hebt? Als je de Godganse dag wordt vermaakt? En dan ook nog zeker in mijn geval. Door die druk in mijn hersenen had ik niet alleen knetterende hoofdpijn, maar was het geluid ook nog eens vervormd. Alles kwam tig keer harder binnen dan normaal. Een lieveheersbeestje dat over het raam liep klonk als een trein die voorbij denderde.

De hel begint des morgens al met een verpleegkundige die met grof geweld de gordijnen openrukt. Onder het mom van “goeiemorgen!”.

Vanaf dat moment wordt het sein afgegeven aan een enorm peloton goedbedoelende mensen die je pas met rust laten als je óf naar huis mag, óf overleden bent.

Sowieso komen ze een keer of vier per dag je bloeddruk en temperatuur opmeten. Alleen daarvan al stijgen alle waardes.

Zes keer per dag wordt er een rammelende kar de zaal binnen gejenkt met maaltijden en drankjes. Met aan het roer heel luidruchtige mensen die stuk voor stuk aan lange-afstand communiceren doen en zelf gehoorbeschadiging lijken te hebben. ‘Mevrouw Verbeek!? Wat wilt u eten? Nee, geen eitje? Alleen yoghurt? Echt?! En verder? Koffie of thee?’

Afhankelijk van wat je nodig hebt -maar toch in ieder geval drie keer per dag-, worden er medicijnen uitgedeeld. Voor mijn overbuurvrouw met Parkinson kwamen ze nog een keer of vijf extra. Konden wij allemaal lekker van meegenieten.

Dan heeft er altijd wel iemand extra hulp in de vorm van logopedie of fysio. Het ergste is die eerste. ‘Kunt u me nazeggen mevrouw Verhulst? Bo-ter-ham-men met pin-da-kaas. Heel goed. *klapperdeklap* Nóg een keertje!’.

Er komt elke dag iemand met de kranten.

En met tijdschriften.

Er is steevast een vrijwilliger die je op de hoogte komt brengen van leuke buitenzaalse activiteiten zoals bijvoorbeeld een pianoconcert in de hal. (Ik had pvd gewild dat ik daarbij kon zijn. Lekker dicht naast de uitgang namelijk).

En ook komt er dagelijks iemand aan alle bedden met de vraag of je misschien behoefte hebt aan een gesprek? Of je even lekker je hartje wilt luchten? Want het is toch allemaal best wel zwaar hè?

NEEEEE!

OPZOUTEN!

Ik wil niet praten. Ik wil verdorie dat iemand me die MRI in schuift. Ik wil weten wat ik mankeer. Wat de plannen zijn. Wie wat gaat doen. Rot op met al je vragen en metingen en maaltijden. Ik wil slapen. Ik heb pijn.

Slapen in een ziekenhuis is ónmogelijk.

Als je je bed in de hal van het Centraal Station in Rotterdam zou neerzetten, is dat rustiger.

Echt.

(En voor de notoire azijnpissers: ze zijn stuk voor stuk hartstikke lief in ziekenhuizen. Ze doen hun stinkende best. Dat weet ik ook heus wel. En ik heb me keurig gedragen en iedereen steeds netjes te woord gestaan en bedankt. Geen zorgen).

Begin-van-je-dag tag

Ik jatte maar weer eens een stokje. Deze las ik eerder deze week bij De Gans, maar ik zag ‘m nu ook gisteren bij Melody voorbijkomen. Geen idee of u er op zit te wachten te weten hoe mijn ochtendritueel eruit ziet, maar soit, het kan niet altijd een zelfverzonnen feest zijn hier.

Hoe laat gaat de wekker: om kwart over zes (!) Ik ga om half acht de deur uit dus ik besef me terdege dat het extreem aan de ruime kant is, dat ik best nog wat langer zou kunnen liggen. Maar als ik ergens een schurfthekel aan heb, is het aan haasten. Dat ik met zweet in den bilnaad en op den bovenlip het pand moet verlaten. Dus neem ik overal ruim te tijd voor.

Snoozen of meteen naast je bed? Meteen eruit. Wakker = wakker. Mits het weekend is. Dan lig ik graag nog even in Vlams armen. ‘Wil je er al uit?’ vraagt ie wel eens aan me. ‘Nee, nog één minuutje, ik lig zo lekker’… ‘Jaja, die minuutjes van jou kennen we’… is steevast zijn antwoord.

Wat is het eerste wat je doet als je ’s ochtends wakker wordt? De wekker op mijn telefoon uitzetten. Ik ben als de dood dat die afgaat namelijk. Van harde geluiden (en zeker ’s morgens vroeg) raak ik nogal geagiteerd.

Word je uit jezelf wakker? Of heb jij daarvoor een wekker nodig? Als mijn telefoon eens per maand afgaat, is het veel. Ik word altijd een minuut of vijf voor hij afgaat, uit mezelf wakker. Mijn biologische klok werkt perfect.

Koffie of thee? Ik dronk tot een week of drie geleden altijd een halve liter loeisterke Earl Grey. Zakje in de beker laten. De bodem niet kunnen zien. Zalig. Dat vind ik nog steeds. Maar tegenwoordig probeer ik te minderen met zwarte thee en begin ik de ochtend met een halve liter kefir. In de hoop dat mijn darmen beter gaan werken. Tot zover nul resultaat. Ik sta op het punt mijn thee weer te omarmen.

Ontbijt jij of sla je die maaltijd liever over? Ik ontbijt altijd. Ik heb altijd trek als ik wakker word. Doordeweeks met kefir. In het weekend met knäckebröd met geitenkaas.

Douchen of in bad? Douchen. Vrij lang. Mijn enige milieuzonde.

Hoeveel tijd heb je nodig voor je make-up en haar? Hooguit een kwartiertje. Ik maak me als ik moet werken altijd op. Mascara en concealer. Soms een beetje oogschaduw. Ben ik vrij dan ga ik net zo makkelijk met een blote-billen hoofd de deur uit. Mijn haar borstel ik en doe ik in een staart. Fohnen en stylen en getrut is niet aan mij besteed.

Hoe ziet je ochtendritueel eruit? Alles op het gemakkie.

Hoe laat ga je de deur uit? Half acht sharp.

Wat is je grootste ergernis in de ochtend? Geluiden en gedrentel op me heen. Wee je gebeente als je mij in de weg loopt. Of gaat praten tegen me. Of irritant vrolijk bent. Of te hard ademt. Maar verder heb ik geen ochtendhumeur hoor.

Wat is je tip om de ochtend zo goed mogelijk te starten? Voor mezelf? LAAT ME MET RUST!