Buurjolijt

Loesje en wat andere mensen waren nieuwsgierig naar onze buren. De Tokkies. Die ons echt jarenlang behoorlijk wat overlast hebben bezorgd.

Voor de nieuwkomers: een ontzettende asociale Hagenees, een Bulgaarse kuthoer (de buurman noemde haar altijd zo dus ik weet niet beter dan dat ze zo heet) en hun twee zonen. Met wie ik altijd intens medelijden heb gehad. En hun Sint Bernard. Een kalf van een hond die elke dag alle trappen af moest, twee rondjes rond de dichtstbijzijnde boom mocht lopen en dan weer naar boven sjokte. En úren blaffend op het balkon stond, als Epie en Lepsie weer eens de hort op waren. Oh. En ze hadden een kat. Waarvan ik vermoed dat hij COPD had van al dat meeroken. Kan niet anders.

Ze hadden nooit ergens geld voor, maar voor roken natuurlijk wel.

Op een gegeven moment werden ze zelfs afgesloten van gas en elektra. Er kwam een allesbrander waarin de buurman alles dat hij bij de vuilcontainers vond en maar een fractie hout bevatte, ingooide. Toen er een schoorsteenbrand ontstond omdat de schoorstenen al sinds 1989 niet meer in gebruik waren én wij ons beklag deden dat wij dagelijks van vroeg tot laat uitgerookt werden, kwam er via de rechter een verbod. De kachel moest weg. Toen ging de buurman maar illegaal stroom aftappen vanuit het portiek. En dat vond -echt heel raar- de politie niet goed. En jeugdzorg was het er niet mee eens dat een kind opgroeide zonder basisbehoeftes.

Op een avond kwam er een politiebusje met daarin een aantal agenten en een stormram. Om hun jongste zoon mee te nemen. De oudste was inmiddels al vertrokken uit het ouderlijk nest. Naar de jeugdgevangenis.

Ik zag de buurvrouw vlak na de uithuisplaatsing. Ik heb nog nooit iemand gezien die zo verslagen was als zij. Ondanks het feit dat ze me jarenlang op allerlei gebied het bloed onder de nagels vandaan heeft gehaald, had ik behoorlijk medelijden met haar.

Maar niet genoeg om haar te hulp te schieten toen zij twee weken later door de buurman uit huis werd gezet.

Die vrouw kon krijsen, bizar. Dagelijks ging ze dwars door de pijngrens heen. Ik (en alle andere mensen uit ons portiek) trokken bijna champagne open toen ze weg was. Rust! Eindelijk.

Dus toen ze vloekend en tierend op een mooie zondagmorgen het pand verliet, was er geen hond die haar hielp of te woord stond, of zelfs maar de deur opendeed om te kijken wat er aan de hand was.

En een paar maanden later volgde de buurman. De rechter heeft zonder aarzeling het huurcontract ontbonden wegens het meerdere malen in gevaar brengen van zijn buren.

Inmiddels hebben we een nieuwe buurvrouw. Begin twintig, alleenstaand, dochtertje van zes.

Maar het mooiste aan haar is dat ze stil is. Muisstil. Het is dat ik haar ’s morgens op weg naar mijn werk zo nu en dan tegenkom. Anders zou ik me afvragen of er in het voormalige tokkiehuis überhaupt nog wel iemand woonde.

Zálig.

Bron: Pixabay.com (1040957)

Opgeruimd staat netjes!

Wij hebben vreselijke tokkieburen. Vaste lezers kennen het verhaal al.

Sinds ik hier woon, nu ruim acht jaar lang, is het gezeur geweest met die mensen.

Ze zijn heel dom en heel asociaal.

Ik denk niet dat ze weten wat een zelfstandig naamwoord is. Maar als je tegen ze zegt dat het álle woorden zijn waar zij kanker voorzetten, dan wél.

Normaal onderling communiceren was er ook niet bij. Alles ging met geschreeuw en gekrijs. Hij tegen haar. Zij tegen hem. En op het laatst gilde hun zoontje ook tegen zijn moeder. Zien schelden, doet schelden. Te triest.

Op een gegeven moment zaten ze al een dik jaar zonder stroom en gas en de buurman tapte het toen maar af van de stroomvoorziening in de gemeenschappelijke ruimtes. Wat die sukkel niet in de gaten had, was dat er nét slimme meters geplaatst waren en dat de plotselinge stijging wel heel erg opviel. Met alle ellende van dien. Hun kind werd op verzoek van jeugdzorg door een busje vol politiemannen meegenomen.

Epie en Lepsie hielden het nog een week of twee samen vol en toen -op een zondagmorgen- werkte hij met veel kabaal het krijsende monster de deur uit. ‘Help, help, politie, politie’ gilde ze. Niemand van de buren reageerde. Iedereen ging gewoon door met zijn ontbijtje. Heel triest eigenlijk, maar als je zó vaak mot en herrie hebt gezien en gehoord zoals wij bij die mensen, ga je gewoon niet meer kijken.

We hebben een illegaal aangesloten allesbrander gehad. Die aangesloten was op een schoorsteen die al dertig jaar niet meer was gebruikt en of gecontroleerd. De rook trok zo onze slaapkamer in. We hebben maanden in de giftige dampen liggen slapen.

We hebben al jaren last van hun verzamelwoede. Alles wat nog enigszins bruikbaar was en bij containers stond, namen zij mee. En bij gebrek aan ruimte in hun eigen huis, in de openbare ruimtes gestald.

Ze hebben een Sint Bernhard die uren en uren kan blaffen, als zij afwezig zijn. Het beest verhaart ook, ongelofelijk. Plukken ter grootte van Misty dwarrelen als woestijngras door ons portiek. Zelf even opruimen zo nu en dan? Ho maar.

Hun oudste zoon heeft een poos vastgezeten. Toen hij vrijkwam, terroriseerde hij zijn eigen ouders en sneuvelden regelmatig de ruiten in het portiek. Hij heeft het hele portiek ondergespoten met oranje verf. Bijna dagelijks stond de politie aan de deur.

Ze spugen op de trap, laten hun sigarettenpeuken ook overal vallen. Snoeppapiertjes, kauwgom, plukken hondenhaar (of had ik die al genoemd?). Bizar gewoon.

Maar nu moet de buurman weg. De rechter heeft het huurcontract ontbonden en maandag moet hij de sleutel inleveren, hoorde ik weer via via.

Ik mailde voor de zekerheid de sociaal beheerder van de woningbouw. Of ze als-je-blieft bij het selecteren van nieuwe huurders rekening willen houden met het feit dat wij jarenlang overlast hebben gehad en echt toe zijn aan leuke mensen? Bij voorkeur vroeg ik om een alleenstaande doofstomme vrouw, zonder kinderen en/of hond en zonder verzamelwoede.

Fingers crossed!

Toen hij eea bij het grofvuil zette, beschadigde hij de auto van de onderbuurman. Uiteraard ontkende hij. Ondanks een getuige. En hij zal ook wel niet verzekerd zijn. Ik hoop dat dit zijn laatste geintje was…

 

Het gaat maar door…

Op eerste Kerstdag heb ik geen prachtige verhalen vol liefde voor u. Of over hoop. Of over vrede op aarde.

Vandaag heb ik voor u een vervolg op de “neverending story of the Tokkies’…

Met het opzouten van de buurvrouw aka de Bulgaarse kankerhoer (de woorden van de buurman, niet de mijne) leek het erop dat er rust in de tent kwam. Geen gegil meer. Halleluja!

Helaas kwam daarvoor in de plaats een ander probleem.

De Sint Bernard van het gezin.

Buurman is sinds hij zijn echtgenoot op straat heeft geflikkerd, veel op pad.

En die wolbaal is het daar niet mee eens. Ze blaft als protest. Uren en uren achter elkaar. Voor iemand als ik, -met een geluidsallergie- een ware crime. En dan hebben wij -Goddank- er nog een trappenhuis tussen zitten. Je zult er maar onder of naast wonen!

Dat dacht de onderbuurman van de Tokkies dus ook.

Vrijdagavond, zo halverwege “Chocolat”, Vlam en ik lagen gezellig en vreedzaam op de bank te kijken, hoorde Vlam een auto stoppen. “Politie!” zei hij en sprong van de bank. (Hoe hij het geluid van een politieauto herkent? Schiet mij maar lek. Hij is a) half doof en heeft b) nooit te maken met de politie. Mannen en auto’s? Het blijft een raadsel…)

Dat kon maar één ding betekenen. Iemand had de politie gebeld voor die K*^%$#@ hond, die al vanaf tien uur ’s morgens een blaffend monoloogje aan het houden was.

En jawohl. Twee agenten kwamen naar boven gewandeld. Met in hun kielzog de onderbuurman. Die zich nog zorgen maakte om het welzijn van mister Tokkie. Want misschien lag hij wel met doorgesneden polsen in zijn huis? ‘Welnee’ zei ik, ‘die is gewoon de hort op en zit ergens te zuipen. Wedden? Die maakt geen einde aan zijn leven…’.

De agenten belden aan, niemand deed open.

Toen belden ze hem. De onderbuurman had blijkbaar een nummer van die lamlul.

Hij nam op. Met dubbele tong.

Goh.

Hij bleek ergens een stadje verderop te zitten en beloofde binnen een half uurtje naar huis te komen.

De enige reden waarom de politie ook terug kwam, is omdat wij onze zorgen om die blaffende en meurende hond hadden geuit. Ze is niet alleen úren en uren alleen thuis. Ze is ook nog eens heel erg dun geworden. Volgens de onderbuurman kon ze een salto in een tl balk maken, zo mager was ze.

De agenten gingen terug. Vlam en ik naar bed.

We hoorden de buurman thuiskomen, we hoorden het blaffen stoppen en de agenten kwamen inderdaad nog terug. En ze gingen vrij vlot ook weer weg. Zonder wolbaal. Helaas. Blijkbaar is het niet schrijnend genoeg.

Van de week toch maar eens de dierenbescherming bellen dan maar.

Of gewoon even wachten tot de buurvrouw weer terug op het nest komt.

Want gisteren stonden meneer en mevrouw Tokkie te praten bij de ingang van het portiek.

‘Oh nee hè?’ zei ik. ‘Straks maken ze het weer goed, sluit hij haar weer in de armen. Liggen ze voor je het weet een Kerstwip te maken. Zijn piek in haar kerststalletje en alles is weer koek en ei…

Duimen jullie als-je-blieft even mee dat dát niet gaat gebeuren.

Ik vind het eigenlijk wel een mooi moment om hun boek te sluiten.

En de buren leefden nog lang en gelukkig.

Hoe mooi zou dat zijn?

The neverending story of the Tokkies

As we speak wordt er aan de andere kant van het portiek druk gehakt, gebeiteld en gehamerd.

De buurman is een nieuw slot in zijn voordeur aan het zetten. (In het licht van een zaklamp, want het gezin is al een jaar afgesloten van elektra en gas).

De buurvrouw is vanmorgen onder luid gegil door hem de deur uitgezet. ‘En als je terugkomt, maak ik je dood’, gilde hij haar nog na.

Ze kwam terug. Na een kwartiertje. Met politie.

Hun Sint Bernard aka “koethoend”galoppeerde intussen zonder riem door de ganse straat. Genietend van haar vrijheid. Ik geef het arme beest geen ongelijk.

Buurvrouw bleef korte tijd in Residentie Tokkie en vertrok toen op haar fiets. Met een paar tassen kleding en shag. Dat laatste is dichterlijke vrijheid natuurlijk.

Twee weken geleden is hun zoontje al vertrokken. Die werd door een achttal politieagenten meegenomen in een busje. Ze hadden voor de zekerheid een stormram bij zich omdat onze buren bekend staan op hun niet-opendoen. Dat rammen bleek gelukkig niet nodig. Eén en ander lijkt me voor dat mannetje al traumatisch genoeg.

Er staan regelmatig mensen tevergeefs op hun deur te kloppen. Agenten. Mannen van de energiemaatschappij. Deurwaarders. Sociaal beheerders van de woningbouw. En postbodes met aangetekende brieven.

Voor wie hier pas geleden is komen lezen: onze buren zijn kut. “Koet” om met de woorden van de Bulgaarse buurvrouw te spreken. Ik kon haar nooit verstaan en wist niet uit welk land ze kwam, tot de buurman een keer vanaf hun balkon de lieflijke woorden uitsprak: ‘vieze Bulgaarse kankerhoer!’.

‘Aha’ dacht ik. ‘Ze komt uit Bulgarije!’

Mysterie ontrafeld.

Het hele portiek is gek op dit gezin.

Ze roken zich te pletter, het hele portiek meurt er naar. En de trap ligt vol met peuken. En stukken Sint Bernard. Als je alles bij elkaar zou vegen, kun je zo een nieuwe hond breien. Ons portiek wordt extra schoongemaakt, vanwege de bende die zij er van maken. Maar de allesreiniger is nog niet opgedroogd, of de eerste zooi ligt er al weer.

De gemeenschappelijke ruimte is opgeëist door de buurman die daar tig fietsen heeft gestald. Want je weet maar nooit of je onderdeeltje x of y nog eens kunt gebruiken.

Ze hebben een allesbrander gehad waarmee ze de hele straat uitrookten.

Ze maken veelvuldig ruzie. Krijsen dan echt tegen elkaar. En voor elk zelfstandig naamwoord, zetten ze zorgvuldig en zonder uitzondering, het woord “kanker”.

Van de week was er een pakje bezorgd voor mij. In de brievenbus lag een “niet thuis” briefje met de mededeling dat het bij de Tokkieburen was afgeleverd. Fijn. Ik wilde al wachten tot Jill thuis was, want ik ben ergens begin dit jaar gestopt met communiceren met ze. Al struikel ik over ze, ik zwijg.

Het was niet nodig om te wachten want de buurvrouw belde zelf al aan.

Als je in Van Dale het woord “verslagen” opzoekt, zou daar achter kunnen staan “de buurvrouw van Kliefje”. Ik heb nog nooit iemand gezien die zo leeggezogen was. Die zo triest en troosteloos was als zij. Ondanks dat ik haar een vreselijke vrouw vind, raakte het me diep. Dit gun je niemand.

En nu is ze nóg dieper gezonken.

Nu heeft ze geen kind meer.

En geen huis.

Tokkievervolg.

Blogloze Loesje vroeg me naar aanleiding van mijn hulpvraag voor onderwerpen waar ik (weer) eens over kon schrijven: zijn de Tokkies naast je al aan het verhuisdozen vullen?

Nee.

Helaas.

Grrrrr.

Vorige week leek het erop dat ze ein-de-lijk zouden vertrekken. Op de stoep stonden ineens politiemannen, een deurwaarder en een slotenmaker. Ik werd daar op geattendeerd door een buurman, die me belde om het heugelijke nieuws te melden.

De champagne werd meteen al koud gelegd door ons.

Diverse buurmannen- en vrouwen stonden bijkans te juichen op hun balkons. Niemand zal er rouwig om zijn als Epie en Lepsie vertrekken.

Het slot werd eruit geboord nadat de politie zich kenbaar had gemaakt en er geen gehoor kwam. Verder heb ik het niet gezien of bekeken, want om nou hetzelfde gedrag te gaan vertonen als de buurvrouw zelf door onbeschaamd te gluren door de gordijnen? Dat ging me te ver.

Ze kwamen, overzagen en gingen weer weg. Met achterlating van een brief van het deurwaarderskantoor.

Een uurtje later hoorde ik helaas alweer de snerpende stem van de buurvrouw. Gevolgd door een tirade over de telefoon waar de hele buurt van mee kon genieten. Want uiteraard moet je zulke gesprekken op het balkon voeren, zodat iedereen het kan horen. Ze spreekt heel slecht Nederlands met een zwaar Bulgaars accent. (Ik dacht altijd dat ze uit Hongarije kwam, tot ik de buurman haar vieze Bulgaarse kankerhoer hoorde noemen. Aha! Bulgarije dus.) Het ging in ieder geval over kankerburen, een rechtszaak en sloten vervangen. Voor alle zelfstandige naamwoorden wordt overigens sowieso het woord kanker gezet. Het is bijna komisch te noemen. Als het niet zo triest was.

Overigens houden ze zich de laatste maanden redelijk rustig. De buurman en ik zijn gestopt met het zeggen van gedag. Waarom sociaal wenselijk gedrag vertonen als je elkaar toch niet aardig vindt? Vlam is er helemaal klaar mee en wil nog wel eens iets onaardigs tegen ze zeggen. Ik vind het zo prima, als ze me maar met rust laten.

Ze hebben nog zeer regelmatig ruzie, zelfs dwars door een portiek heen kan ik ze nog horen krijsen en gillen. Als ik aan de andere kant, naast ze had gewoond, was ik allang vertrokken. Die stem van haar kan glas doen breken.

Ze roken zich nog steeds wezenloos. Hun Sint Bernard (wie neemt nou in vredesnaam zo’n kalf als je driehoog woont en een zestig vierkante meter woonoppervlak hebt?) en kat moeten inmiddels ook wel COPD hebben. Kan niet anders.

Over die hond gesproken: de vaste schoonmaker van ons gebouw heeft kenbaar gemaakt ons portiek niet langer meer schoon te willen maken. Het is bij de beesten af volgens hem. En daar ben ik het mee eens. Van het hondenhaar dat je van één trap afhaalt, kun je met gemak een nieuwe Sint Bernard breien.

“Ik heb astma” kreet hij vorige week. ”Ik ga half dood in jullie portiek” werd er nog dramatisch aan toegevoegd. Vanachter zijn mondkapje.

Arme man.

Arme wij.

Arm buurjongetje.